Herdenking Nederlands-Indië 15 augustus
Op 15 augustus herdenken we alle slachtoffers van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van het vroegere Nederlands-Indië.
Herdenking op het Martinikerkhof
De herdenking is op het Martinikerkhof op vrijdag 15 augustus 2025 vanaf 17:30 uur. U kunt hier de slachtoffers herdenken die omgekomen zijn tijdens de Japanse bezetting. En aandacht geven aan het gevoel van alle slachtoffers die geleden hebben door geweld, onderdrukking en gedwongen arbeid.
Het programma van de herdenking duurt ongeveer 1 uur. Sprekers worden afgewisseld met muziek, er is een minuut stilte en een kranslegging.
Programma
17:30 uur | Opening met optreden spoken word door Jooz. |
17:38 uur | Toespraak burgemeester Roelien Kamminga. |
17:47 uur | Het Indische Onze Vader gezongen door Sabine Koch. |
17:52 uur | Taptoe gevolgd door 1 minuut stilte. |
17:58 uur | Kranslegging door Leo van der Weele. |
18:04 uur | Spreekster 1e generatie: Hennie van der Heyde-Lindeman. |
18:12 uur | Gitaarspel door Domingus Pfaff. |
18:18 uur | Spreekster 3e generatie: Anna Pikkemaat. |
18:25 uur | Nawoord en einde. |
Nazit
Na de herdenking is er gelegenheid tot napraten onder het genot van een klein Indonesisch hapje met koffie en thee. Tevens zal tijdens de nazit in de kerk een dameskoor het meerstemmige lied ‘de Nieuwe Wereld’ van Dvorak ten gehore brengen. Dit lied is gezongen in een vrouwenkamp op Sumatra om hen hoop en kracht te geven. Omdat de zangeressen muziekinstrumenten voorstellen, wordt er gesproken van een stemmenorkest.
Expositie
Van dinsdag 12 t/m zaterdag 16 augustus is de pop-up expositie van beeldend kunstenaar Egbert Pikkemaat ‘Oorlogsverhalen van Indische en Molukse Groningers’ te zien in de Martinikerk (tijdens de openingstijden van de kerk).
De expositie toont persoonlijke verhalen van Indische en Molukse Nederlanders uit Groningen, vaak met betrekking tot de Tweede Wereldoorlog in voormalig Nederlands-Indië. De expositie bestaat uit een speciaal kartonnen systeem en bevat een audiotour. Tijdens de nazit is de expositie uiteraard te bezichtigen.
Magazine
Bij de expositie is dit jaar ook een magazine te koop waarin alle verhalen van de expositie zijn na te lezen. Het magazine is verkrijgbaar voor € 20 en alleen contant te betalen. De opbrengst gaat naar de stichting ten behoeve van de organisatie van de Indië-herdenking.
Speeches
Speech burgemeester Roelien Kamminga
15 augustus 2025
GESPROKEN WOORD GELDT
***
Beste mensen,
De dag ná de capitulatie van Japan, vierde Nederland het einde van de Tweede Wereldoorlog. In Groningen speelden muziekkorpsen, jeugdorganisaties liepen in optocht door de Stad en op de Grote Markt was een defilé. De mensen zongen het Wilhelmus en de burgemeester sprak de menigte toe.
Het vredesfeest in Groningen kreeg evenwel een onvoldoende van de journalist, omdat de muziek te zacht stond en mensen niet gingen dansen.[i]
Terwijl men zich hier druk maakte over de vraag of er wel gedanst kon worden, wisten velen in Nederlands-Indië niet eens dat ze vrij waren. Er waren geen geallieerde troepen die de kampen kwamen bevrijden. Nieuws sijpelde nauwelijks door. En de Japanners vertelden niets.
In de meeste kampen duurde het een week voordat duidelijk werd dat de oorlog voorbij was. En zelfs toen, was er voor velen nauwelijks ruimte voor vreugde.
Een overlevende zei daarover eens: “Onze gezinnen waren uit elkaar getrokken. We waren uitgeput. Waar moesten we de kracht vandaan halen om blij te kúnnen zijn?”
Jarenlang hadden ze geleden in de kampen, duizenden mensen waren omgekomen door ondervoeding, ziekte of geweld. Buitenkampers liepen tijdens de oorlog in juten zakken, omdat al het andere al was verkocht om aan eten te komen. Ze waren vogelvrij en liepen voortdurend gevaar. Duizenden Nederlandse krijgsgevangen en honderdduizend Indonesische dwangarbeiders kwamen om bij de aanleg van spoorwegen. Miljoenen Indonesiërs kwamen om van de honger.
Vandaag herdenken we het einde van de Tweede Wereldoorlog, en alle slachtoffers die in en om voormalig Nederlands-Indië zijn gevallen.
We denken aan hoe moeilijk het was voor de overlevenden om opnieuw te beginnen. Hoe er voor velen geen plek was in Indonesië, ook al was dat hun thuis. Hoe kil de ontvangst was toen ze naar Nederland kwamen. Niemand zat te wachten op hun leed. Ze kregen te horen dat ze toch mooi weer hadden gehad en dat de hongerwinter veel erger was geweest.
De twaalf en een half duizend Molukkers die naar Nederland kwamen werden weggestopt in voormalig concentratiekampen. Voor hen was geen aandacht, geen waardering, geen warmte.
Mensen stopten hun verdriet en woede weg. Sommigen hielden hun leven lang nachtmerries. Anderen konden nooit helemaal wennen aan Nederland.
De bomen, de dieren, de seizoenen het was hier zo … anders. Ze bleven woorden zoals kakies en pisang gebruiken.[ii] Als ze hun ogen dichtdeden zagen ze sawa’s, hoorden ze Krontjongmuziek, en roken ze klapperolie, fruit, en zoete krètèk-tabak.[iii]
Hoe ze ook probeerden het verleden te vergeten, het liet zich niet wegstoppen, niet voor lang in ieder geval, en ze gaven het bewust of onbewust door aan hun kinderen en kleinkinderen.
Die nieuwe generaties zagen dat er iets was weggestopt, dat het verdiende gezien en gehoord te worden. Zij wilden niet meer zwijgen. Ze wilden weten waar ze vandaan kwamen. Ze wilden horen wat hun ouders en grootouders hadden meegemaakt.
En langzaamaan kwam er verandering. Eerst werd het Indisch Zwijgen een voorzichtig fluisteren, en daarna een onontkoombaar spreken.
Nog maar tien jaar geleden schreef een hoogleraar dat het Indisch verleden van Nederland een “nationaal geheim” was, “dat telkens weer onthuld wordt en dan opnieuw wordt weggemoffeld”.[iv] Maar dat is niet langer zo. Er komen niet alleen meer herdenkingen, er komen ook steeds meer mensen op de herdenking af.
Er wordt steeds meer over het verleden gesproken. Dat werkt bevrijdend.[v]
Maar soms is dat ook moeilijk. Want er zijn zoveel verschillende verhalen, zoveel pijnlijke herinneringen, zoveel soorten verdriet.
Thom de Graaff sprak vorig jaar over hoe ingewikkeld het soms is. Hij zei dat sommigen willen dat ook de slachtoffers van de Bersiap worden herdacht, anderen dat er aandacht is voor het militaire geweld van Nederland daarna. De een wil geen aandacht voor Indonesisch leed, de ander wil juist de Japanners betrekken.[vi]
Het gesprek over wie en wat we herdenken – en waarom, is soms lastig. Maar het is vooral ook een goed teken. Het betekent dat deze herdenking belangrijk is voor mensen. Dat het wat met mensen doet. Dat deze herdenking leeft.
Dat mensen die eerder niet gehoord zijn, nu vragen om ook hun verhaal te mogen vertellen. Er komt iets los, dat te lang heeft vastgezeten. En misschien kan dat ook wel pas nu, na al die jaren.
Het past ook in deze tijd. Steeds meer mensen vragen zich af waar ze vandaan komen, wat dat betekent voor wie ze zijn in het hier en nu, en hoe dat hun toekomst zal vormen.
In tijden van polarisatie winnen die vragen aan belang, en de antwoorden aan urgentie. Want het is maar al te makkelijk om ons terug te trekken in ons eigen gelijk. Ieder met zijn eigen verleden. Maar dan komen we tegen over elkaar te staan.
Herdenken, zoals we vandaag doen is in de eerste plaats een eerbetoon. Een eerbetoon aan hen die het niet overleefden en aan hen die zwaar hebben geleden. Maar herdenken is ook een inspanning. Het is het herijken van hoe we naar ons verleden kijken. Het is het rechtzetten van fouten.
Herdenken is het verleden levend houden. Het is een kans om ons inlevingsvermogen te vergroten, om ruimte te maken voor meerstemmigheid.
Als we daarin slagen, dan draagt herdenken er aan bij dat mensen zich in het hier en nu gezien, gehoord en erkend voelen. Dan stelt herdenken ons ook in staat om niet alleen samen en gelijkwaardig een gedeelde toekomst te verbeelden, maar ook waar te maken.
Dank u wel.
[i] Ons Noorden, 17 augustus 1945. Geraadpleegd via www.delpher.nl .
[ii] https://dvhn.nl/groningen/Deze-jongen-uit-Indi%C3%AB-overleefde-het-jappenkamp.-Maar-telt-hij-wel-mee-Er-was-ook-een-oorlog-n%C3%A1-5-mei-27857764.html (Kakies = voeten; Pisang = banaan)
[iii] Ontleend aan Hella S. Haasse.
[iv] https://www.groene.nl/artikel/postkoloniale-absences
[v] Zie bijvoorbeeld de ervaringen n.a.v. https://oorlogsverhalen.com/themas/oorlogsverhalen-indische-en-molukse-groningers/
Speech Anna Pikkemaat
15 augustus 2025
Mijn oma werd in 1933 geboren in Bandoeng, in het toenmalige Nederlands-Indië. Toen ze negen jaar oud was, brak de oorlog uit. Japan viel het land binnen. Haar vader werd krijgsgevangen genomen en als dwangarbeider naar Japan gestuurd. Daar is hij later overleden.
Mijn oma bleef achter met haar moeder, haar broers en haar jongere zusje Alda, die geestelijk beperkt was. Ze werden geïnterneerd in een Japans kamp. Het was een stressvolle, onzekere tijd waarin mijn oma niet alleen met haar eigen angst moest omgaan, maar ook voortdurend de spanning van haar moeder voelde.
Al snel werd het gezin uit elkaar gehaald. De broers werden naar een mannenkamp gestuurd. Even later werd ook haar zusje Alda weggestuurd – Nederlandse medekampbewoners vonden haar 'te lastig' in de krappe, onhygiënische omstandigheden. Ze vertelden dat er een speciale opvang voor haar was in een ander kamp. Onder druk ging mijn overgrootmoeder akkoord.
Maar vrijwel meteen nadat mijn overgrootmoeder had ingestemd, voelde ze spijt. Ze ging naar de Japanse kampleiding om te vragen of ze bij haar dochter mocht zijn. Wat volgde was een zoektocht langs meerdere kampen, want niemand wist precies waar Alda was. Uiteindelijk vonden ze haar terug.
Alda zat in een vrijstaand huisje, samen met andere gehandicapte kinderen. Er was nauwelijks toezicht. De sterksten namen het meeste eten, de zwakkeren raakten ondervoed. Alda zat naakt, vastgebonden op een stoel, met wonden op haar rug en leed aan hongeroedeem. Mijn oma en haar moeder bezochten haar bang dat moment dagelijks, maar mochten haar niet meenemen. Ze konden weinig meer doen dan er zijn.
Enkele weken later overleed Alda. Ze werd opgebaard met een klein bloemetje in haar hand - de enige tastbare herinnering aan Alda wat mijn overgrootmoeder mee terug naar Nederland heeft kunnen nemen. Jaren later vond mijn vader dat bloemetje terug. Het was een emotioneel moment. Dat bloemetje werd uiteindelijk de aanleiding voor de allereerste Indiëherdenking in het Floreshuis.
Na Alda's dood raakte mijn overgrootmoeder in een psychische inzinking. Ze kon niet meer voor mijn oma zorgen. Oma zwierf door het kamp, op zoek naar eten. Ze klom in bomen om onrijpe vruchten te plukken. Niemand ving haar echt op – behalve één Indische moeder. Dat contact gaf haar vertrouwen. Sindsdien vertrouwde ze vooral Indische vrouwen, en bleef ze wantrouwig tegenover veel andere landgenoten.
Dat wantrouwen nam ze mee naar Nederland, waar ze als jong meisje opnieuw haar plek moest vinden in een omgeving die vreemd en vaak kil aanvoelde. Ze ontwikkelde angsten.
Binnen het gezin paste iedereen zich aan haar aan. Mijn vader herinnert zich dat er weinig bezoek kwam. Affectie was schaars. Hij kan zich niet herinneren ooit een kus van haar te hebben gekregen.
En toch zegt hij: "Als je wist hoe goed ze voor me gezorgd heeft, dan moet ze wel veel van me gehouden hebben."
Als kind heb ik mijn oma ervaren als emotioneel afwezig. Ze zei niet veel. Geen kruimel eten werd weggegooid. En we werden grondig gewassen omdat ze anders bang was dat we ziek werden.
Toen dacht ik daar niet zoveel bij na. Pas later begon ik vragen te stellen. Het keerpunt kwam in de tweede klas van de middelbare school, toen ik een verslag moest schrijven over een stuk familiegeschiedenis. Samen met mijn vader las ik een tekst die mijn opa ooit had geschreven over oma's jeugd. Dat was het moment waarop ik haar gedrag beter begon te begrijpen.
Met die kennis ben ik anders naar haar gaan kijken. Haar smetvrees, haar geslotenheid – het kreeg betekenis. Ik ontdekte hoe haar verleden doorwerkte in het nu.
Mijn nieuwsgierigheid naar waar mensen vandaan komen en met welk perspectief ze naar het leven kijken, groeide. Mede door de openheid van mijn ouders. Die nieuwsgierigheid bracht me bij de opleiding Social Work. Daar verdiepte ik me verder in onze familiegeschiedenis. Ik herkende patronen. Ik ging gesprekken aan, bijvoorbeeld met mijn vader. En ik begon zijn gedrag beter te begrijpen – en zag hoe angst van generatie op generatie werd doorgegeven.
Zo kwam ik terecht bij het begrip intergenerationeel trauma. Iets waar ik vroeger sceptisch over was, maar wat ik nu steeds beter ben gaan begrijpen. Ik begon me af te vragen: hoe heeft dit mij beïnvloed? Welke overtuigingen en gedragingen neem ik mee?
Een belangrijk inzicht dat ik heb opgedaan, is hoe nodig het is om stil te staan bij pijn uit het verleden. Om die niet weg te stoppen, maar bespreekbaar te maken. Want als we dat niet doen, zoekt die pijn een andere weg – vaak onbewust.
Herdenken, erkennen en durven voelen is essentieel. Alleen dan kunnen we doorgeven wat geheeld is, in plaats van wat gebroken is.
Speech Hennie van der Heyde - Lindman
15 augustus 2025
Goedemiddag allen die hier aanwezig zijn.
Ik ben Hennie van der Heyde - Lindman. Schrijfster van het boek over het leven van mijn jongere broer Frank, die kunstschilder was. Hij stierf op 18 januari 2021.
Het gaat over WOII, de gevolgen die van grote invloed waren op zijn leven.
De heer Theo Boiten vroeg mij toen of ik een verhaal uit mijn boek wilde voorlezen, waar veel gezinnen zich in kunnen verplaatsen.
Vandaag herdenken wij met elkaar de bevrijding van Nederlands-Indië op 15 augustus 1945. Hier kunnen we dat nu vieren in alle vrijheid. Ik was toen ongeveer 7 jaar oud. In deze periode zaten mijn moeder en haar kinderen, waaronder ikzelf, nog in het kamp “De Wijk” in Malang, Oost-Java. Ook dit kamp werd bevrijd. Wij werden met vrachtauto’s met heel veel mensen naar het station gebracht. Wij werden de wagons in geduwd van de geblindeerde trein die klaarstond om ons te vervoeren naar het Rode Kruis kamp “Kramat” in Batavia (tegenwoordig Jakarta – West-Java) waar de hereniging van ons gezin met onze vader zou plaatsvinden. De reis in de trein duurde 2 dagen, de wc’s liepen over en het was bijna niet meer mogelijk om deze te bereiken. De trein werd bewaakt door de Japanse soldaten. Dit was nodig omdat het gevaarlijk was dat de trein overvallen of beschoten kon worden door jonge Indonesische vrijheidsstrijders, de “Pemuda’s”. Toen wij in Batavia (nu Jakarta) aankwamen moesten wij in lange rijen staan om eerst ontluist te worden met een wit poeder. DDT genaamd, een pesticide die in die periode vaak werd gebruikt voor het bestrijden van ongedierte. Dan pas konden we het kamp binnengaan. In het kamp zelf werd er omgeroepen wanneer de vaders aangekomen waren voor de hereniging met het gezin. Toen wij aan de beurt waren en we voor het eerst na 3 ½ jaar onze vader zagen waren wij vreemden voor hem maar hij was wel heel blij om mijn moeder terug te zien. Wie er vreselijk last van had, was mijn jongere broer Frank. Van de 1 op de andere dag werd hij van mijn moeder gescheiden. Vader nam zijn plek naast moeder weer in. Ik hoorde Frank tijdens bedtijd, stilletjes huilen.
Mijn ontmoeting met mijn vader ging ook niet goed. Ik rende blij op hem af, hij pakte mij vast, keek mij in de ogen en zei: “Wat ben jij zwart geworden”. Ik voelde mij afgewezen en rende hard weg naar buiten toe. Tegen de avond ging ik weer terug want om een uur of 6 werd het pikkedonker. Daarna is de situatie in ons gezin niet er niet meer beter op geworden. De bevrijding voor ons gezin werd een moeilijke tijd door alles wat we in de oorlog hadden meegemaakt. Mijn vader had zijn werk als dwangarbeider aan de dodenspoorlijn in Birma overleefd maar hij had daardoor wel psychische schade opgelopen. Mijn moeder en de kinderen hadden verschillende kampen overleefd en alle ellende doorgemaakt van het gevangen zijn. Niemand kwam ongeschonden terug van de oorlog. Kwam dit nog goed met ons gezin?
Ik geef een voorbeeld waarin mijn vader in een herbeleving van zijn oorlogservaringen terechtkwam als er omstandigheden in ons gezin voordeden waardoor hij geprikkeld werd.
Wij woonden toen in de Cannalaan in een mooi huis in Soerabaja, Oost-Java. Mijn vader had zijn werk als terreinambtenaar bij de Nederlandse belastingdienst weer terug. Alle kinderen gingen naar de lagere school op de Simpangschool. Hier konden we als gezin een nieuwe start maken. Maar bij ons gezin ging dit niet altijd goed. Dit gebeurde er dan.
Mijn vader kwam op de fiets net thuis van zijn werk. Ons buurjongetje zag hem aankomen en rende met een briefje van school op hem af en duwde dat in zijn hand. Mijn vader scheurde de envelop met briefje open en las snel de inhoud. Wat stond er in? Frank, mijn broertje van toen 6 jaar, was 2 weken niet op school geweest, wanneer is hij weer beter? Ik zag aan vaders ogen dat hij heel driftig werd, zijn ogen werden donker. Hij riep ons woedend bij elkaar en duwde ons ruw naar de badkamer achterin het huis. Mijn moeder hoorde de harde boze stem van mijn vader en kwam snel naar ons toe. Daar werd Frank ondervraagd met de woorden: WAAR WAS JE? Bang en stotterend kwam het hoge woord er uit. Hij had al die dagen onder de brug gespeeld met de Indonesische katjongs. Die gingen niet naar school, zij woonden daar.
Hun moeder deed daar het huishouden, terwijl de kinderen in en uit de Kali ernaast sprongen. Hun vader viste of bedelde langs de straat om eten te kunnen kopen voor het gezin. Zij behoorden tot de allerarmsten van de maatschappij. Toen mijn vader dat verhaal hoorde werd mijn broertje Frank zwaar gestraft met de striemende woorden: “Ik wil niet hebben dat je tot het uitschot van de maatschappij gaat horen”. Mijn moeder kon niet anders dan stil toekijken want ze wist dat het zou escaleren als ze er ook maar wat van zou zeggen. Plotseling hield mijn vader op en zonder 1 woord te zeggen, liep hij weg. Mijn broer Ralph en ik gingen stilletjes naar onze kamer. Mijn moeder bleef bij Frank en troostte hem. Deze situatie wordt nu gediagnostiseerd als PTSS, maar toen wist je dat niet. Zo bleef de oorlog in ons ouderlijk gezin na de Bevrijding nog lang doorwerken, met alle schadelijke gevolgen van dien. Helaas is vader op jonge leeftijd, op zijn 42ste aan de lange-termijn -oorlogsgevolgen overleden.
Mag ik u allen danken voor uw aandacht.