Ereburgers Stad

In 1940, bij het 900-jarig bestaan van de stad Groningen, is het Gulden Boek ingesteld. Inschrijving daarin kan beschouwd worden als de hoogste vorm van waardering, gelijkwaardig aan het ereburgerschap.

Wie in het Gulden Boek staat, wordt dan ook betiteld als 'ereburger'. Deze onderscheiding kent de gemeente tegenwoordig toe aan een inwoner van Groningen, op grond van buitengewone verdiensten voor de stad en haar burgers, door hem/haar verricht ‘beyond the call of duty’ en dat gedurende vele jaren.

Biografieën ereburgers

Colofon

  • Harry Perton (Groninger Archieven): Onderzoek, teksten en eindredactie.
  • Frederiekje de Jongh (Groninger Archieven): Onderzoek en teksten Westen en Vonhoff.
  • Michael Hermse (Groninger Archieven): Foto-research.

Gevallen voor het vaderland mei 1940

Ereburgers

Eltjo Rugge

Eltjo Rugge bij een 1-Mei-viering in het Stadspark, Collectie Groninger Archieven 1785-16273Eltjo Rugge (1872–1950) kwam van Noordbroek, waar zijn vader winkelier was en hijzelf na de lagere school eerst kleermakersknecht werd. Op zijn 18e was hij al socialist en maakte met anderen propagandatochten door de provincie. Drie jaar later verhuisde hij naar de stad, waar hij eerst als broodbezorger en later als verzekeringsagent werkte.

Meteen in het oprichtingsjaar 1894 werd hij lid van de SDAP. Voor deze partij zou hij vele functies bekleden. Zo richtte hij in 1896 de lokale arbeiderskiesvereniging op, en werd hij in 1901 het tweede SDAP-gemeenteraadslid in de stad, waar hij tevens correspondent van de landelijke partijkrant was.

Rugge gold als een principieel socialist. Zo vergiste hij zich in 1918 met Troelstra in de revolutiebereidheid van de Nederlanders. Hoewel dat jaar als Tweede kamerlid gekozen, kwam hij in 1922 op een onverkiesbare plek en belandde toen even in armoedige omstandigheden. Verhuizen uit Groningen wilde hij echter niet.

In 1924 werd hij wethouder van Openbare Werken en Volkshuisvesting, wat ook al zijn specialisme in de raad was. Energiek zette hij zich in voor krotopruiming en nieuwbouw. Zo kwamen onder zijn bestuur (grote delen van) de Oosterparkwijk, de Grunobuurt, de Oranjebuurt en de Indische Buurt tot stand. Telde Groningen in 1919 nog 18.500 woningen, in 1933 waren dat er al 26.500, een toename met bijna de helft. Daarnaast was er een kwaliteitsslag. Het aantal één- en tweekamerwoningen nam af van de helft tot minder dan een derde, slaapkamers vervingen bedsteden, moderne architectuur deed zijn intrede, terwijl de huren relatief laag bleven.

Ook kreeg de stad onder Rugge riolering in plaats van het primitieve tonnetjesstelsel. In samenhang hiermee werden vele onberijdbare straten verbeterd en geschikt gemaakt voor fiets- en autoverkeer. Bovendien kwamen er voorzieningen als zwembaden, badhuizen en speeltuinen.

Rugge kreeg in de oorlog ontslag als wethouder, kwam erna nog even terug als raadslid, maar raakte toen definitief op een zijspoor. Het was een stugge, eigengereide en gauw gekwetste man, die conflicten niet schuwde, maar die toch ook een waardig bestuurder kon zijn. Als autodidact die zich door zelfstudie ontwikkelde, werd hij binnen B&W een vraagbaak om zijn kennis van de stad. Zoals Het Vrije Volk na zijn dood constateerde, was zijn wethouderschap "zegenrijk voor velen".

Bronnen: Hans van den Hurk, ‘Eltjo Rugge’, Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland 2 (1987), 126-128; artikelen in Het Vrije Volk en het Nieuwsblad van het Noorden van 8 t/m 12.2.1950; Groninger Archieven, toegang 1611 (archief gemeentewerken) inv. nrs. 578 en 579: lezingen door Rugge (1933).

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Dr. Synco van Mesdag

Synco van Mesdag. Fotograaf onbekend, foto collectie RHC Groninger Archieven 1785-17090“Wat ge in voorbije jaren voor de menschheid hebt gedaan”, zo dichtte ene Recidivist Synco van Mesdag toe, “dat zal in het Boek der Boeken, alles opgeschreven staan!”

Het gedicht van Recidivist verscheen in 1934 in het Nieuwsblad van het Noorden bij de pensionering van Van Mesdag als gemeentelijk schoolarts. Van Mesdag (1869-1941) had deze functie dertien jaar bekleed. Voordien was de geboren Groninger, die in zijn vaderstad geneeskunde en psychologie studeerde, enkele jaren huisarts in Rijssen geweest en ongeveer even korte periodes geneesheer bij de Rijkswerkinrichtingen in Veenhuizen en het Krankzinnigengesticht te Franeker. In 1905 was hij naar Groningen teruggekeerd, waar hij eerst zestien jaar lang geneesheer was van de Strafgevangenis aan de Hereweg en de Tuchtschool voor Jongens in Haren. Overigens bleef Van Mesdag na zijn pensioen niet stilzitten, want hij werd toen privaatdocent aan de Groninger rechtenfaculteit.

In zijn gevangenisperiode deed Van Mesdag de observaties, die leidden tot verschillende belangrijke artikelen op het snijvlak van psychiatrie en strafrecht. Hij was een fel tegenstander van het vergeldingsdenken, zag weinig heil in gevangenisstraffen, en bepleitte half open gevangenissen. Ook publiceerde hij over een een controversieel onderwerp als het seksuele leven van gevangenen. Uiteraard vond hij niet in alles gehoor, maar hij ijverde met succes voor een opleiding voor gevangenispersoneel. In vele rechtszaken leverde hij psychiatrische rapporten. Naast zijn werk bekleedde hij bovendien talloze functies in verenigingen voor drankbestrijding, reclassering, kinderbescherming en armen-, daklozen-, en zwakzinnigenzorg.

O.J. Cluysenaer, de vriend die in 1941 zijn In Memoriam schreef, roemde Synco van Mesdag om diens eenvoud, bescheidenheid, redelijkheid, hartelijkheid, onbaatzuchtigheid, inlevingsvermogen, meegevoel, mensenliefde, optimisme, toewijding, volharding en trouw. Volgens hem was Van Mesdags “rusteloos werkzaam leven” geheel gewijd geweest “aan anderen, inzonderheid aan misdadigen en misdeelden, wier lot hij trachtte te verzachten, individueel doch ook als groep”. Ook noemde Cluysenaer zijn vriend als een oorspronkelijk, invloedrijk en gezaghebbend wetenschapper, die altijd zijn eigen weg was gegaan. Al met al gold Van Mesdag als “een begrip voor de meeste inwoners van Groningen en ontelbaar velen daarbuiten”. Naast de vermelding in het Gulden Boek vielen hem nog als eerbewijzen ten deel als een eredoctoraat van de Amsterdamse Gemeente Universiteit. Zijn naam leeft voort in de Van Mesdagkliniek.

Bronnen: O.J. Cluysenaer, In memoriam dr. Synco van Mesdag, Groningsche Volksalmanak1943, 132-139; Fred Molenhuis, Van eenzame opsluiting naar veilig behandelen 1884-2009 (Bedum 2009) 55; Joost Vermoolen, Genealogie en geschiedenis van het geslacht Van Mesdag (z.p. 1998) 351-354.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Johannes Jan Matthijsse

Hans Matthijsse. Fotograaf onbekend. Foto collectie RHC Groninger Archieven 1785-10167Hans Matthijsse (Schiebroek 1931 – Groningen 2009) groeide op in een hervormd gezin op Goeree-Overflakkee, waar zijn vader een Boerenleenbank leidde en gemeenteraadslid was voor de Christelijk-Historische Unie (CHU).

Matthijsse jr. volgde de HBS in Middelharnis en de Tropische Landbouwschool te Deventer. Omdat Indonesië zich afsloot , moest hij zich omscholen tot Nederlandse land- en tuinbouw. In 1955 kreeg hij onderzoekswerk bij het Instituut voor Bodemvruchtbaarheid in Groningen. Drie jaar later stapte hij over naar de Groninger Maatschappij van Landbouw, waarvan hij adjunct-secretaris werd. In 1965 werd hij directeur van de tuinbouwveiling aan de Peizerweg en bleef dat tot zijn pensioen (1993). Als intermediair tussen 400 telers, 300 afnemers, 25 medewerkers (1982) en de overheid was Matthijsse hier in zijn element. Hoewel stevig investerend, werd deze laatst overgebleven noordelijke tuinbouwveiling kort na Matthijses vertrek opgedoekt (1997).

Naast zijn werk vervulde Matthijsse talloze bestuursfuncties. Via zijn voorzitterschap van de Groninger Jeugdraad (1962-1969) belandde hij in de politiek en werd gemeenteraadslid voor de CHU, naderhand het CDA (1966-1990). Aanvankelijk was hij fractiespecialist voor o.a. jeugdbeleid en sport. In 1974 redde zijn motie FC Groningen van faillissement. Later kwam hij als woordvoerder economische zaken vooral op voor het ondernemingsklimaat. Sinds 1972 stond het CDA echter buiten B&W.

Vanaf 1982 bestond er een coalitie PvdA-CDA. Ondanks de hernieuwde focus op de economie werd lijsttrekker Matthijsse geen wethouder economische zaken. Als fractieleider steunde hij B&W loyaal, en liet hij de coalitie zelfs niet breken op de museumlocatie, voor de partij aanleiding om hem van de kieslijst te weren (1990). Hij keerde niet terug in de raad.

Vanaf 1971 was Matthijsse voorzitter van de Commercieele Club (CC). In 1979 ontstond er ophef over een Zuid-Afrika standpunt van dit gezelschap topondernemers. Stonden CC en stadsbestuur toen tegenover elkaar, met een CDA als collegepartij veroorloofde Matthijsse zich geen forse kritiek meer op gemeentebeleid. Daarom moest hij in 1987 als CC-voorzitter aftreden.

Vanuit de CC was Matthijsse langdurig voorzitter van het gemeentelijke 5 mei-comité (1979-2007). Naast festiviteiten en de overkomst van tientallen Canadese bevrijders in lustrumjaren, organiseerde hij inzamelingen, o.a. voor het Bevrijdingsbos met 33.000 esdoorns (1995). Ook regelde hij het provinciaal Indië Monument (2002).

In zijn laatste levensjaren fungeerde Matthijsse nog als trouwambtenaar, kerkrentmeester en voorzitter van de Ouderenraad. Hij was een onvermoeibare regelaar en netwerker. Als gezelligheidsdier kon hij charmant, aimabel en enthousiast zijn.

Bronnen: http://jaapvdveld.nl/ (genealogie Matthijsse). En honderden krantenartikelen, waarvan de belangrijkste staan in het Nieuws- en het Dagblad van het Noorden d.d. 2.1.1988, 15.2.1996, 27.8 en 12.11.2002 en 4.1.2010.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Gerrit Abma

Gerrit Abma (Kampen 1916 - Groningen 1995) kwam uit een gereformeerd gezin in Kampen. Via het daar gevestigde filiaal van de firma Hoft, een Gronings bedrijf in graniet-toepassingen (vloeren, aanrechten, grafwerken etc.) ging hij op zijn veertiende naar Groningen, waar hij als tegelzetter en granietwerker werkte bij het moederbedrijf van Hoft.

Waarschijnlijk deed hij hier ook ervaring op met kranen, gebruikt bij de verplaatsing van het zware materiaal. Vlak na de oorlog stapte hij over naar het bouwbedrijf Rottinghuis, waar hij respectievelijk dieselmonteur en chef monteur kraanmontage werd en het beheer kreeg over de hele werf met machinepark en bouwmaterialen. Toen Rottinghuis een werkmaatschappij werd van Stevin (1971) resp. Volker Stevin (1978) was hij er ook de man die kraanmachinisten aannam.

Intussen was Abma actief in de Christelijk Sociale Vereniging Patrimonium, de Bouw- en Houtbond CNV en de Metaalbewerkersbond CNV. Bij Rottinghuis zat hij twintig jaar in de ondernemingsraad, ook was hij lid van de centrale ondernemingsraad van Volker Stevin. Vanuit Patrimonium was in 1914 de gelijknamige Groningse woningbouwcorporatie opgericht en op voordracht van de vereniging werd Abma in 1959 bestuurslid van de woningstichting.

Tien jaar later werd hij voorzitter van deze woningstichting, een functie die hij tot eind 1985 zou blijven bekleden. Als zodanig maakte Abma zich sterk voor het sociale gezicht van de corporatie. Ook gold Patrimonium in zijn periode als gangmaker van de stadsvernieuwing. Volgens ingewijden stak Abma zijn nek uit voor renovatieprojecten in de binnenstad en in de Bataviastraat. Verder was er de verbouw van de Zuiderkerk in appartementen, terwijl Patrimonium onder meer nieuwbouw realiseerde op de Van Houtenlocatie bij het Damsterdiep, in de Davidstraatbuurt en in Groningen-Zuid.

Het was op herhaalde aandrang van Abma als voorzitter, dat Patrimonium voor het eerst een beleidsnota maakte op punten als identiteit, samenwerking, woningtoewijzing, huurdersinvloed en personeel. Omdat Abma de zieke directeur van Patrimonium nogal eens verving, nam hij veel meer werk op zijn schouders dan normaal – zo had hij een veel prominentere rol dan de voorzitters van andere corporaties. Zelfs suste Abma rond 1980 de arbeidsonrust binnen het bedrijf over de cao.

Ook buiten Groningen zette Abma zich belangeloos in, vooral voor de koepel van christelijke woningbouwcorporaties NCIV. Vormde dit alles sowieso al intensief vrijwilligerswerk, menigmaal gingen vergaderingen door tot diep in de nacht, en Abma zat dan ook niet veel thuis.

Gerrit Abma was een gelovige, bevlogen en sociaal bewogen, maar ook praktische, zakelijke en besluitvaardige man, die zich met hart en ziel heeft ingezet voor de volkshuisvesting.

Bronnen: Een reeks artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, m.n. 5.10.1995; J.C.P. Schaaf, Bouwen in vertrouwen; 75 jaar Woningstichting Patrimonium Groningen (Groningen 1989) pag. 124-132; gesprekken met Jan van der Heide en Jan Groenwold.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Jhr. Mr. Dr. Dirk de Marees van Swinderen

Dirk Rudolph de Marees van Swinderen portretJhr. mr. dr. Dirk Rudolph de Marees van Swinderen (1862-1943) was de zoon van een burgemeester van Noorddijk die et zijn in de stad woonde. Zijn vader overleed in 1867, toen Dirk vijf jaar oud was. Dirk werd door zijn moeder opgevoed in het huis op de hoek van de Oude Ebbinge- en de Jacobijnerstraat, waar later de Nutsspaarbank in zou komen.

Dirk studeerde rechten in Groningen en toonde zich als rector van Vindicat al buitengewoon welsprekend. In 1886, na zijn promotie, werd hij advocaat, een beroep dat hij in 1893 verruilde voor dat van directeur bij de handelsbank Aartsen, Feith & Co. Intussen zat hij vanaf 1889 als liberaal in de Groninger gemeenteraad, waar hij weldra in de zwaarste commissies kwam. In 1900 werd hij gepolst voor het burgemeesterschap van Groningen, maar sloeg dat af. Wel werd hij, naast zijn werk als bankier, wethouder van Stadsbezittingen en Financiën. In die rol streefde hij naar betere verhoudingen met de veenkoloniale bevolking en won hij veel vertrouwen, invloed en aanzien bij de raad.

Toen hij in 1914 rechter bij de Arrondissementsrechtbank werd, trad hij af als wethouder. Raadslid bleef hij nog tot 1918, maar hij zag met lede ogen aan hoe standpunten al voor een raadsvergadering vaststonden en verliet de raad daarom zonder veel spijt. Van 1923 tot zijn pensioen in 1929 was hij president van de rechtbank. Daarnaast en nadien bleef hij een onafzienbare rij bestuursfuncties vervullen, meest voorzitterschappen van organisaties op het gebied van armenzorg, werkverschaffing, maatschappelijke steun, onderwijs, gezondheidszorg en volkshuisvesting. Zo zat hij in de besturen van diverse crisiscomités, de Ambachtsschool, het Academisch Ziekenhuis, een woningbouwvereniging, het Universiteitsfonds en enkele hypotheekbanken. Bovendien was hij president-commissaris van de STAR-spoorlijn tussen Stadskanaal en ter Apel, de Elevator Maatschappij, en de Groningse Nutsspaarbank, waarvoor hij praktisch elke morgen te vinden was in het huis waarin hij ooit was opgegroeid.

Naast zijn veelzijdige belangstelling en enorme energie karakteriseerde De Marees zich door zijn vlugge geest en welsprekendheid. Mensen noemden hem scherpzinnig, deskundig, humorvol, sprankelend, opgewekt, hartelijk, goedmoedig, hoffelijk, tactvol, toegankelijk en meelevend. Het betrof, kortom, een man met een warm hart die uiterst prettig in de omgang was.

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, artikelen d.d. 7 en 8.5.1936, 7 en 12.3.1942 en 3 en 6.5.1943; I.B. Cohen, Jhr. Mr. D.R. de Marees van Swinderen 12 Maart 1862 - 2 Mei 1943, Groningsche Volksalmanak 1945 (in één band met die van 1944) pag. 1-29.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Maj. Gen. A. Bruce Matthews C.B.E. D.S.O. Gen. Off. Comm. 2 Canadian Infantry Division

Generaal-Major Albert Bruce Matthews in Nijmegen, november 1944. Foto: junobeach.orgAlbert Bruce Matthews (Ottawa 1909 - Toronto 1991) was de zoon van een liberale aandelenhandelaar die in 1937 Luitenant-Gouverneur van Ontario werd.

Na zijn opleiding aan het Upper Canada College in Toronto en de Universiteit van Genève kwam Matthews junior bij zijn vader in de zaak. Eigenlijk ambieerde hij een militaire loopbaan, maar hij werd wegens kleurenblindheid afgekeurd voor de militaire academie en de marine. Wel kon hij terecht bij het reserve leger, volgde daar meerdere officierstrainingen en klom er op tot majoor bij de artillerie (1938).

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog behoorde Matthews tot de allereerste vrijwilligers die zich aanmeldden voor actieve dienst. In december 1939 ging hij naar Engeland met de 1e Canadese Infanteriedivisie. Hij kreeg in 1940 het bevel over een regiment en werd bevorderd tot luitenant-kolonel. In die rang werkte hij op het Canadese hoofdkwartier. Begin 1943 benoemd tot brigade-generaal, kreeg hij het commando over de artillerie bij de 1e Canadese Infanteriedivisie.

Deze divisie werd ingezet bij de landing op Sicilië, in juli 1943. Matthews leidde de inleidende kanonnades vanaf de HMS Roberts en onderscheidde zich naderhand door het leiden van verkenningsmissies onder vijandelijk vuur. Na september 1943 baande zijn onderdeel zich een weg over het Italiaanse vasteland. Begin 1944 terug in Engeland, werd hij de rechterhand van generaal-majoor Simonds, de bevelhebber over het 2e Canadese legerkorps.

Dat korps vocht vanaf 11 juli dat jaar in Normandië. Na de slag om de Schelde, in november, werd Matthews generaal-majoor en kreeg hij het bevel over de 2e Canadese infanteriedivisie. In februari en maart 1945 streed deze in het Duitse Rijnland. Eenmaal over de Rijn rukte ze op door Noordoost-Nederland. De zwaarste slag hier, vond plaats in de stad Groningen, medio april 1945. Toen de Duitse troepen op 4 mei capituleerden, lagen Matthews’ troepen voor Wilhelmshaven.

Matthews zwaaide in november 1945 af, om weer voor het bedrijf van zijn vader te gaan werken. Weldra volgde hij deze op als bestuursvoorzitter van de Excelsior Life Insurance Company in Toronto. Verder had hij bestuursfuncties bij o.a. een mijnbouw- en een omroepbedrijf. In 1978 was hij bovendien president-commissaris van de bekende tractorenfabriek Massey-Ferguson. Tevens bestuurde hij culturele en zorginstellingen, terwijl hij ook nog lang actief bleef als reserve officier. Politiek schopte hij het tot voorzitter van de Liberal Party.

Matthews was een zelfverzekerde man die recht op zijn doel afging. Aan de muur van zijn kantoor hing nog lang een grote kaart van Noord-Nederland. In 1951 en 1982 kwam hij in Groningen terug voor herdenkingen.

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden 8.5.1951, 15.4.1980 en 6.5.1982 (interviews); David Twiston Davies (red.), Canada from Afar: The Daily Telegraph Book of Canadian Obituaries (Toronto/Oxford 1996) 147-148. http://www.junobeach.org/e/3/can-pep-can-matthews-e.htm#null http://www.rcamuseum.com/English/Great%20Gunners/matthews.htm

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Joseph James Bonnie, Major Royal Canadian Army - Service Corps

Majoor Bonnie (links) met burgemeester Cort van der Linden op het bordes van het Groninger stadhuis (april 1945). Collectie familie Zeeven (uitsnede)Over Joe Bonnie, de Canadese majoor die tussen midden april en juni 1945 de stad Groningen mede bestuurde, is maar bitter weinig bekend. Literatuur en internet-databanken leveren nauwelijks iets op en noch Groninger deskundigen, noch de Canadese ambassade kunnen verder helpen. We moeten het doen met schaarse gegevens.

Zijn afkomst is al schimmig. Waarschijnlijk gaat het om de Joseph de Bonnie, die in 1906 als twaalfjarige ‘home child’ naar Canada kwam. ‘Home children’ waren arme en/of verweesde Britse kinderen die gedwongen emigreerden. In Canada kwam zo’n kind vaak op een prairie farm terecht als goedkope arbeidskracht.

Van de James Bonnie die na de Bevrijding in Groningen opdook, weten we dat hij sinds 1939 van huis was en een gezin achterliet. In Groningen was hij de verbindingsman tussen het geallieerde hoofdkwartier en de Nederlandse autoriteiten. Zo gaf hij op 19 april een reisbeperking voor de stadsbevolking door. Toen de stadsgas- en de elektriciteitsvoorziening hier acuut gevaar liepen door een gebrek aan transportmiddelen, bood hij soelaas met “krachtdadige hulp”. Ook op andere gebieden verzachtte hij door zijn invloed “ernstige problemen”. Hij hielp, als men erom vroeg, en stond vaak op de bres voor belangen van Groningers.

Toen Bonnie begin juli 1945 vertrok en het stadsbestuur besloot hem in het Gulden boek in te schrijven, nam Bonnie de bronzen erepenning niet mee. Die werd hem in december 1945 nagestuurd, met foto’s van de notitie in het Gulden Boek.

Hij woonde destijds aan de Hope Avenue in Montreal. Eind 1946 woonde hij echter in Toronto als fabrikant en zakenman met internationale vertegenwoordigingen. Hij kwam toen beroepshalve naar Groningen terug en vertelde het Nieuwsblad dat hij zich met de Groningse makelaar J.H. Zeeven had geassocieerd voor im- en exporthandel. Eind mei 1947 was hij hier nog eens en hield toen een lezing over Canada voor de Commerciële Club. Bij die gelegenheid stond hij met Zeeven op een Nieuwsbladfoto.

Zeevens zoon, inmiddels 77, herinnert zich nog het zakelijke contact: “Mijn vader en hij zouden een NV AMI oprichten, Agenturen Maatschappij Internationaal. Maar dat is nooit wat geworden en mijn vader sprak daar ook wel zijn teleurstelling over uit.” In het Handelsregister is ook niets over een dergelijke onderneming te vinden. Wel blijkt uit een rechtszaak in Ontario, waarbij Bonnie zijdelings betrokken was, dat hij in cv-onderdelen handelde.

Deze levenstekens uit 1947 zijn ook de laatste. In april 1948 stuurde de Groninger burgemeester hem nog eens een gelukwens, wegens de verjaardag van de Bevrijding. Daarna ontbreekt ieder spoor.

Bronnen: Maarten Duijvendak e.a. (red.), Stad van het Noorden, 237; De Boer en Jonkman, Militair Gezag in Groningen pag. 236; Groninger Archieven Toegang 1841, inv. nr. 901 (map Gulden Boek); Toegang 1336 inv. nr. 104 (gemeentelijk persbericht) en 1841-901 (map Gulden Boek) briefje van 4.12.1945; Archief Commercieele Club inv. nrs. 2 en 99 (mei 1947); Groninger Dagblad en Ons Noorden 5.7.1945, Nieuwsblad van het Noorden 27.12.1946, 27.5 en 2.6.1947, 23.4.1948; The Ontario Weekly Notes, maart 1947; Gesprek met de heer Zeeven jr. Met dank aan de Gronings-Canadese genealoge Harmien Torenbeek, die de Canadese internet-databases voor ons doorzocht.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Mr. Menno Jan Wolthers

Menno Jan Wolthers (Groningen 1883 – Groningen 1967), een kleermakerszoon. studeerde rechten in Groningen en promoveerde hier op stellingen (1909). Twee jaar was hij advocaat, maar in 1911 koos hij voor een ambtelijke loopbaan, eerst als griffier bij de Ongevallenraad in Hoogeveen, waar hij ook woonde.

Vanaf 1912 klom hij als “meester in het redigeren” gestaag op in de secretarie van de gemeente Groningen. Eerst was hij adjunct commies-redacteur, in 1915 werd hij commies-redacteur, en in 1918, bij een reorganisatie van de secretarie, chef van de afdeling Algemene Zaken, eerst als hoofdcommies, vanaf 1920 in de rang van referendaris. Toen de gemeentesecretaris in 1932 ernstig ziek werd, verving Wolthers hem. Ook sprak hij bij diens begrafenis namens alle ambtenaren, zoals hij eerder al deed bij diverse ambtsjubilea. Wolthers kwam als nummer 2 op de voordracht voor opvolging, maar kreeg na een langdurige besloten raadszitting de meerderheid van de stemmen en werd zo de nieuwe gemeentesecretaris (1933).

Dat ambt had duidelijk nog een representatieve functie, gezien de verschijning van Wolthers bij vele ontvangsten, begrafenissen, congressen, herdenkingen, jubilea, lustra en openingen etc. Vanaf eind 1941 ontbrak Wolthers naam echter in de krant. Hij werd door de bezetter gegijzeld (1942) en als “jüdisch versippten Beamten” ontslagen (1943), maar adviseerde zelfs vanuit het Brabantse gijzelaarskamp in nog over de gemeenteadministratie. Ook bediscussieerde hij er met kampgenoten als Commissaris Linthorst Homan zaken als het Eemskanaal probleem.

Direct na de Bevrijding zat Wolthers weer op zijn post en voorkwam bij de vereiste snelheid van besluiten pijnlijke blunders. Nog even leefde zijn representatieve functie weer op, maar in 1948 ging hij met pensioen, na een huldiging in een openbare raadszitting voor zijn “vele voortreffelijke werk”. Na zijn pensioen was hij nog tien jaar adviseur van de gemeente.

Wolthers genoot een goede pers door zijn vriendelijkheid, hulpvaardigheid en (betrekkelijke) openhartigheid. Niet alleen voor journalisten was hij benaderbaar en sympathiek, zo bleek bij zijn afscheid, want het Nieuwsblad van het Noorden schreef toen dat hij dat voor alle Groningers was. Volgens de krant zou uit de receptie blijken, “hoe de oud-gemeentesecretaris zich in brede kringen onder Groningen's bevolking vrienden heeft weten te maken”.

Daarnaast werd Wolthers geroemd om zijn eenvoud, bescheidenheid, toewijding, werklust, onpartijdigheid, integriteit, snelle doorzicht en bedachtzaamheid, “Men wist”, schreef het Nieuwsblad in 1948, “dat bij hem geen gekke dingen konden gebeuren. Men kon bouwen op zijn deskundig advies, zijn onuitputtelijke kennis van ons staatsbestel en zijn nog onuitputtelijker geheugen.” Volgens een raadslid dat hem uitzwaaide, had Wolthers “met zijn wijs inzicht” kapitalen voor de gemeente verdiend.

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden een hele reeks artikelen , m.n. d.d. 31.1.1933, 27.3.1937, 6.11.1947, 13.7.1948, 4.4.1980; RGC Groninger Archieven, het personeelsdossier via Toegang 1827, inv. nr. PD2184.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Dr. Ir. George Willem van Heukelom

George van Heukelom (Tilburg 1870 - Utrecht 1952) was de zoon van een spoorwegingenieur en fabrieksdirecteur. In 1887 ging hij naar de Polytechnische School (TH) in Delft, waar hij bouwkunde als vak liet vallen en in 1891 afstudeerde als civiel ingenieur.

Hij kwam in dienst bij de Staatsspoorwegen, waarvoor hij eerst kleinere ijzeren stationsoverkappingen e.d. ontwierp, onder meer aan de lijn Sauwerd-Roodeschool. Naderhand kwam het grotere werk, zoals de perronoverkappingen van Vlissingen, Den Bosch en Utrecht (1893-1895). Tegelijkertijd deed hij ’s avonds alsnog een bouwkunde-opleiding.

Tussen 1898 en 1907 ontwierp hij vervolgens station Hengelo, de grote douane- en locomotievenloodsen bij station Baarle-Nassau en de wagenwerkplaats bij station Roosendaal, Tussen 1909 en 1913 werkte hij aan de stations en andere opstallen langs de lijn Eindhoven-Weert, waarvoor hij ook vier grote bruggen over de Zuid-Willemsvaart ontwierp, In 1915 kwam zijn station Maastricht gereed, het eerste in Nederland met een perronoverkapping van gewapend beton. In de periode ervoor werkte hij tevens aan de stations en kunstwerken aan de lijn tussen Heerlen en Schin op Geul.

Inmiddels werd hij chef van zijn dienst bij de Staatsspoorwegen (1913). Ook bij de buitenwacht kreeg hij erkenning. In 1917 verleende de TH Delft hem een eredoctoraat. Zijn bekendste bouwwerk, het Derde Administratiegebouw van de Staatsspoorwegen in Utrecht, moest hij toen nog ontwerpen. Het werd in 1921 opgeleverd als het grootste bakstenen gebouw van Nederland. Opmerkelijk was, dat hij voor de fundering spoorstaven gebruikte.

Als expert van grote dragende constructies raakte Van Heukelom, naast zijn eigenlijke werk, betrokken bij de restauratie van middeleeuwse monumenten, het eerst in Utrecht. Zo leidde hij van 1922 tot 1931 de restauratie van de Domtoren. Hiervan bekend geworden, vroeg de gemeente Groningen hem in 1936 om een nader onderzoek naar de Martinitoren in te stellen. Hij bevestigde dat het casco op instorten stond. De gemeenteraad besloot tot een ingrijpende restauratie, die Van Heukelom als constructeur en architect ging leiden. Om de voet van de toren kwam er een vier meter brede manchet van gewapend beton, verankerd met 1500 heipaaltjes en versterkt met spoorstaven. Hogerop kreeg de toren een skelet van gewapend beton. Mede door de oorlog, kwam de restauratie pas in 1948 klaar.

Bij de oplevering van de toren werd Van Heukelom tevens erelid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. Hij leidde vanaf zijn sterfbed nog de restauratie van de Grote Kerk te Breda.

Bronnen: J.G. Roding, ‘Heukelom, George Willem van’ in : Biografisch Woordenboek van Nederland 5 (Den Haag 2002), link: http://www.historici.nl/Onderzoek/Projecten/BWN/lemmata/bwn5/heukelom;
Frans Westra, Martinitoren (Groningen 2009) 121-142.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Mr. Pieter Willem Jacob Henri Cort van der Linden

Pieter Cort van der Linden (Hilversum 1893 – Wassenaar 1969) was zoon van een staatsraad, die eerder hoogleraar rechten in Groningen was en later, tijdens de Eerste Wereldoorlog, minister-president van Nederland.

Na het gymnasium studeerde Cort jr. rechten in Leiden. Vanaf 1918 was hij als (algemeen) secretaris werkzaam bij de landelijke werkgeverskoepel. Namens die organisatie zat hij in talrijke overheidscommissies op het gebied van arbeid, werkloosheid en werkverruiming. Ook schreef hij een standaardwerk over arbeidswetgeving.

Cort was liberaal. Als redacteur van De Nederlandsche Werkgever schreef hij menig artikel waarin hij het socialisme zwaar bekritiseerde. De grootste raadsfractie, die van de SDAP, zat in 1934 daarom niet te wachten op zijn benoeming tot burgemeester van Groningen. Opvallend was, dat Cort meteen al aankondigde het gezag onverbiddelijk te zullen handhaven. Waarschijnlijk speelde hierin het Jordaan-oproer van twee maanden eerder mee.

Hoewel hem een lastige tijd voorspeld was, viel dat mee. Hij stelde zich neutraal op en won vertrouwen. Daarom gunde de raad hem ook nevenfuncties als voorzitter van de commissie stadsbezittingen en bestuurslid van museum, ziekenhuis en luchthaven. Bovendien werd hij curator van de universiteit.

De eerste oorlogsjaren bleef hij aan. Meermalen wilde hij aftreden, vooral vanwege het anti-Joodse beleid. Na een conflict met de NSB-commissaris Staargaard over de in diens ogen “verkeerden geest” onder het gemeentepersoneel, ontsloeg de bezetter hem in 1942 alsnog, zij het eervol en met behoud van pensioen.

Direct na de Bevrijding trad hij vanuit de onderduik weer aan. Landelijk was hij medeoprichter van de VVD (1947). Plaatselijk fungeerde hij als een soort president van Groningen. Met buitengewoon veel energie zette hij zich in voor de wederopbouw van de stad. Zo bemoeide hij zich met de woningnood, gemeentelijke bedrijven, jeugdzorg en de verbetering van sociale, culturele en sportaccommodaties.

Tot zijn spijt maakte hij de goedkeuring van het Grote Marktplan niet meer mee. In 1951 werd hij net als zijn vader lid van de Raad van State. Bij zijn afscheid lieten de communisten verstek gaan – van de andere raadspartijen kreeg hij louter complimenten.

Hij werd geroemd als “waardig regent” en om zijn initiatief, energie, en vasthoudendheid, maar ook om zijn scherpzinnigheid, gemoedelijkheid, tact, en humor. Anderzijds was hij op straat wat eenzelvig, want om populariteit ging het hem niet.

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden 18.9 - 2.10.1934, 10 en 29.5.1951, 19.3.1969; Groninger Archieven toegang 165, archief kabinet commissaris der koningin inv. nr. 154, persoonsdossier; Maarten Duijvendak (red.), Stad van het Noorden (Assen 2003); Beno Hofman, De Groninger burgemeesters (Assen 2009) pag. 55.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Dr. Mozes Troostwijk

Mozes of Maurits Troostwijk. Collectie RHC Groninger Archieven 2248-031807Maurits Troostwijk (Leeuwarden 1914 – Driebergen 1991), zoals hij buiten joodse kring heette, was de zoon van een joodse antiquair in Leeuwarden. Na de HBS werkte hij als volontair bij de gemeente Menaldumadeel (1931-1933) en doorliep hij diverse rangen bij de gemeente Leeuwarden (1933-1939).

In 1940 stapte hij over naar Heerenveen, maar werd daar ontslagen door de bezetter (1941). Vervolgens was hij twee jaar secretaris van de Joodse Raad in Leeuwarden, waar hij zeer integer omging met vrijstellingen voor transport naar Westerbork en verder. Najaar 1943 dook hij onder. Vanaf de Bevrijding tot eind 1945 was hij hoofd van de Politieke Opsporingsdienst in Zuidoost-Friesland.

Van 1946 tot 1948 werkte hij als chef algemene zaken bij de gemeente Almelo, die hem uitstekende referenties meegaf, toen hij in Groningen solliciteerde. Intussen was hij voor de oorlog al – naast zijn werk – afgestudeerd als jurist, en in 1947 – eveneens aan de RUG – gepromoveerd op een studie naar gemeentelijk strafrecht. Als gemeentesecretaris van Groningen (1948-1964) deed hij veel minder dan zijn voorganger Wolthers aan representatie, maar hij ging wel meermalen met collegeleden mee op buitenlandse studie- en wervingsreizen. Qualitate qua zat hij in besturen van o.a. het Gronings Orkest en het Academisch Ziekenhuis, terwijl hij in 1959 tevens hoofdredacteur werd van het weekblad van de Nederlandse bond van gemeenteambtenaren.

Vanaf 1962 was Troostwijk bovendien lid van de Provinciale Staten (tot 1970) èn de Eerste Kamer (tot 1975). In zijn jeugd nog een vrijzinnig-democraat, was hij na de oorlog PvdA- lid geworden. In beide organen voerde hij met gezag het woord over bestuursrechtelijke zaken, waarover hij ook wel spreekbeurten hield. In 1962 redigeerde hij een handboek over de gemeentewet. Twee jaar later werd hij hoogleraar administratief recht aan de RUG. Maar het bestuur lokte weer en in 1971 verhuisde hij naar Amersfoort, waar hij tot burgemeester was benoemd. Dit ambt oefende hij sober uit. Ook zat hij in het VNG-bestuur. In 1975 werd hij lid Raad van State, waar hij van 1982-1984 zijn loopbaan beëindigde als voorzitter van de afdeling Rechtspraak.

Volgens de aanbevelingsbrief die de gemeente Groningen in 1948 uit Almelo kreeg, was Troostwijk “hoogst bekwaam”, “doorkneed in het recht” en “zeer scherpzinnig”. In de krant wordt zijn “grote werkkracht” geroemd. Later noemt men hem een bescheiden, eenvoudig en beminnelijk man en een “coryfee van het gemeenterecht”.

Bronnen: Groninger Archieven, personeelsdossier via Toegang 1827, inv. nr. PD6141; http://www.parlement.com/id/vg09llb0kqyv/m_maurits_troostwijk; D. Hillenius, ‘Prof.dr. M. Troostwijk (1914-1991), een man van de gemeenten’, in: Verhalen. 150 jaar De Gemeentestem (Alphen 2000) 79-81; Nieuwsblad van het Noorden 27.4.1948 en 12.2.1991.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Jan Tuin

Burgemeester Jan Tuin (links) en de toenmalige burgemeester van Berlijn Willy Brandt (1962). Collectie RHC Groninger Archieven 1785-12049Jan Tuin (Finsterwolde 1900 – Groningen 1972) kwam uit een landarbeidersfamilie. Zijn vader, een dagloner, was anarchist.

Op zijn dertiende ging Jan Tuin bij een boer werken. Maar hij was intelligent en leergierig en de lokale onderwijzers hielpen hem ’s avonds graag bij zijn voorbereiding op de Winschoter onderwijzersopleiding. In 1915 toegelaten, haalde hij in 1919 de onderwijzersakte en in 1921 de hoofdakte.

Intussen gaf hij al les. Eind 1919 benoemde Winschoten hem op de Gassingelschool. Tien jaar later werd hij schoolhoofd in Oude Pekela. Buitenschools maakte Tuin zich hier nuttig als voorzitter van het volksgebouw, een ziekenfonds en een zwemclub.

Meteen na het halen van zijn hoofdacte was Tuin lid van de onderwijzersvakbond en de socialistische partij SDAP geworden. In 1925 werd hij voorzitter van de SDAP-afdeling Winschoten en bestuurder van het SDAP-gewest Groningen. In 1932 gekozen tot gewestelijk voorzitter, bleef hij dat na 1946 ook bij de PvdA, waarin de SDAP opging. Tuin bleef zo de leider van de Groninger sociaaldemocraten tot 1965. Van 1939 tot 1963 zat hij bovendien in hun landelijk partijbestuur.

Als partijbestuurder en propagandist hield Tuin vooral in de jaren dertig talrijke spreekbeurten in de provincie. Hij waarschuwde tegen fascisme en communisme. Gekozen als Statenlid (1933-1962), was Tuin vanaf 1937 fractievoorzitter. Tussen 1946 en 1951 was hij tevens PvdA-Kamerlid.

Naast partijman en volksvertegenwoordiger was Tuin bestuurder. In 1937 benoemd tot burgemeester van Hoogezand, zorgde hij voor een ambachtsschool en huishoudschool. In 1942 weigerde Tuin zijn agenten joden te laten arresteren. Hij werd vastgezet in een Brabants gijzelaarskamp, waaruit hij in 1944 vrijkwam. Op de dag dat Hoogezand bevrijd werd, half april 1945, zat Tuin weer op zijn burgemeesterspost, tot zomer 1946, toen hij gedeputeerde van Groningen werd. In die functie ontwierp hij de Groninger vlag.

In 1951 vroeg de minister hem voor het burgemeesterschap van Groningen. Hij werd de eerste sociaaldemocraat in deze functie, maar stelde zich onpartijdig op. In het stadsbestuur kreeg hij de zware wederopbouwportefeuille, met woningbouw, stadsuitbreidingen en verkeerszaken. Bij zijn pensionering in 1965 waren links en rechts het erover eens, dat ze een burgervader kwijtraakten. Tuin kreeg een geweldig afscheid met o.a. een defilé van duizenden Groningers.

Nadien was Tuin onder meer nog actief als voorzitter van de provinciale VVV en de commissie Joods Monument.
Jan Tuin was een zéér geliefde burgemeester. Hij staat te boek als eenvoudig, bescheiden, gemoedelijk, kalm, evenwichtig, aandachtig en vriendelijk. Hij beschikte over een enorme werkkracht en een milde vorm van humor. Andersdenkenden liet hij in hun waarde, hij behandelde iedereen gelijk.

Bronnen: K. ter Laan, Groninger Encyclopedie II (1955); Maarten Duijvendak & Bart de Vries, Stad van het Noorden (2003) vooral 247-252; Piet Hoekman e.a. (red.), Een eeuw socialisme en arbeidersbeweging in Groningen (1986) m.n. pag. 277; Beno Hofman, De Groninger burgemeesters (Groningen 2009) pag.61; http://www.parlement.com/id/vg09llb2ppyz/j_jan_tuin Pronkjewail, maart 1965 (Tuin-nummer). Honderden krantenartikelen m.n. Nieuwsblad van het Noorden 31.7 en 3.9.1937, 15.9.1951, 26 t/m 30.3.1965, 6 en 7.11.1972 en Het Vrije Volk 25 t/m 30.3.1965 inclusief de speciale bijlage ‘Van Puinstad tot Tuinstad’.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Johannes de Wilde

Johannes de Wilde, hier op een foto van het college van B&W, gezeten aan de tafel links van burgemeester Berger. Foto Persfotobureau D. van der Veen. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15461Johannes de Wilde (Zutfen 1896 – Groningen 1987) groeide op in Amersfoort als zoon van een gemeenteambtenaar. In 1916 werd hij daar adjunct-boekhouder bij de gemeentebedrijven en in 1918 hoofd van de brandstoffendistributie. Daarnaast studeerde hij voor diploma’s boekhouden en accountancy.

Als accountant bij de Rijksbelastingen verhuisde hij in 1920 naar Groningen. Ook hier benutte hij de avonduren goed. Zo was hij in de jaren dertig secretaris van de vrijzinnig-democratische kiesvereniging Burgerplicht. Hoewel hij opzag tegen politiek geharrewar, kwam hij in 1939 voor de links liberale Vrijzinnig Democratische Bond in de gemeenteraad.

Hier maakte hij als kritisch, zakelijk en helder woordvoerder financiën meteen al indruk. Geen wonder dat hij eind 1945 in de noodraad kwam en meteen gekozen werd tot wethouder financiën en gemeentelijke bedrijven (gas, water, elektriciteit en vervoer). Het was de zwaarste wethouderspost, doordat de belastingdienst hem vrijstelde, kon De Wilde zich er full time aan wijden.

Hij hield 21 jaar dezelfde portefeuille. Opvallend is, hoe het vertrouwen in hem groeide. Bij de wethoudersverkiezingen stemden steeds meer raadsleden op hem. Tussen 1958 en zijn aftreden in 1966 was hij de populairste èn bekendste wethouder.

Dat kwam vooral doordat hij de stadsfinanciën uitstekend beheerde. Ondanks de enorme investeringen in de stad, wist hij een groeiende reserve op te bouwen. Hij onderhield een prima relatie met het Ministerie van Financiën en wist waar de geldpotjes stonden. Bovendien bleef hij ook als wethouder helder, zakelijk en duidelijk in zijn toelichtingen. In de raad kreeg hij weinig weerwerk.

Als wethouder gemeentebedrijven was hij verantwoordelijk voor enorme omschakelingen: zo verving in het stadsvervoer de trolleybus de tram (1947) en de dieselbus de trolleybus (1967). Ook kwam er aardgas voor stadsgas (vanaf 1963).

De Wilde, een uitgesproken voorstander van meer industrie, hoefde politiek alleen eens excuses aan te bieden toen hij voortijdig de annexatie van Noorddijk bekend maakte (1961). Vooral als wethouder voor de nutsbedrijven had hij een groot aantal bijfuncties.. Tijdens zijn wethouderschap was hij bovendien voorzitter van de grote woningbouwvereniging Volkshuisvesting en een poos penningmeester van het Academisch Ziekenhuis.

Als wethouder was De Wilde wel eens behoudender dan de PvdA. Zo ageerde hij tegen vakbondsplicht voor gemeenteambtenaren. Hij moest niets hebben van Nieuw Links en toen Drees sr. bedankte voor de PvdA (1971), deed De Wilde dat ook. Noemden radicalen hem “een échte regent”, voor anderen was hij aardige, nuchtere en toegewijde man die niet gauw van zijn stuk te brengen was en hard kon onderhandelen.

Bronnen: Luuk Hajema, De glazenwassers van het bestuur (Assen 2001); Maarten Duijvendak (red.), Stad van het Noorden (Assen 2003); Pronkjewail augustus 1966; Nieuwsblad van het Noorden een reeks artikelen, n.n. 22.6.1939, 9.1.1940, 12.2.1946, 4.6.1948, 9.12.1953, 2.12.1961 e.v., 3.10.1964, 31.8.1966 e.v.; gesprek met A.J.H. de Wilde te Hillegom.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Jan Johannis Adriaan Berger

Jan Berger. Foto Bureau Voorlichting gemeente Groningen. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-15977Jan Berger (Middelburg 1918 - ’s-Gravenhage 1978) was de zoon van een sociaaldemocratische vakbondsbestuurder, die zich in de crisisjaren als vrijgestelde bezig hield met werklozen en hun uitkeringen.

Berger jr. groeide op in Vlissingen en, vanaf zijn dertiende, in Amsterdam. Hier voltooide hij de HBS (1937). Hij zat twee jaar op een tuinbouwschool, maar moest tijdens de mobilisatie in dienst. Vervolgens werkte hij voor de Raad van Arbeid in Rotterdam en haalde in de avonduren de MO-akte staatsinrichting en sociale verzekering. In 1943 verhuisde hij naar Groningen, om er te werken als chef bij het provinciaal ziekenfonds. Een jaar later dook hij onder. Na de oorlog werd hij bezoldigd vakbondsbestuurder bij het NVV (1946-1954). Bovendien was hij lid van de Sociaal-Economische Raad (1950- 1954). In 1950 verhuisde hij naar Amsterdam.

Berger was overal steeds actief voor de PvdA. In 1952 kwam hij in de Tweede Kamer, waar hij de PvdA-woordvoerder sociale wetgeving werd. Hij droeg enorm veel bij aan de totstandkoming van de AOW. Toch koos hij in 1954 opnieuw voor een ambtelijke loopbaan, als directeur van het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor te Amsterdam. Tegelijkertijd zat hij in het partijbestuur van de PvdA (1957-1961). In 1959 keerde hij terug naar de kamer, opnieuw als specialist sociale zekerheid. Weldra werd hij fractiesecretaris, de weg naar het fractievoorzitterschap (1962) werd echter afgesneden.

Inmiddels vertegenwoordigde Berger het Noorden in de Kamer, en was hij naar Zuidhorn verhuisd (1961). Tevens in de Groninger Staten gekozen, werd hij onmiddellijk PvdA-fractievoorzitter (1962-1965). Het waren de jaren van aardgas en optimisme, en Berger koos voor een bestuurlijke functie als burgemeester van Groningen (1965).

De verwachting was dat de stad zou doorgroeien tot 250.000 inwoners. De auto zou er ruim baan krijgen, een cultuurcentrum moest de oude Harmonie vervangen. Een kolfje naar de hand van een ambitieuze regelaar als Berger. Maar de grootscheepse plannen riepen weerstanden op. Toen een nieuwe, kritische ‘Vietnam-generatie’ lokaal en landelijk het PvdA-partijroer overnam, werd Berger lid van de behoudende afsplitsing DS'70 en zag van zijn herbenoeming af (1971).

Als kamerlid en fractievoorzitter van DS’70 (1971-1975) kon hij een kabinetscrisis niet voorkomen en hij verliet de politiek na meningsverschillen over de koers van DS’70. Hij werd nog directeur van een bouwfonds, maar leed zichtbaar onder het politieke zijspoor, waarop hij zichzelf uitgerangeerd had.

Berger kon goed overweg met ondernemers, en had commissariaten bij o.a. Heineken en Wessanen. Liever dan te polariseren, overbrugde hij tegenstellingen. Hij was joviaal, charmant en sociaal bewogen en paarde een scherp inzicht aan humor.

Bronnen: Martin Timmermans, ‘Berger, Jan Johannis Adriaan (1918-1978)’, in Biografisch Woordenboek van Nederland, deel VI. Parlement.com: http://www.parlement.com/id/vg09lkxxqmxr/j_j_a_jan_berger; Beno Hofman, De Groninger burgemeesters (Groningen 2009) pag. 63; en een reeks krantenartikelen, vooral Nieuwsblad van het Noorden d.d. 25.4.1970, 15 t/m 26.2.1971 en 13.9.1978.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Marie Kamphuis

Marie Kamphuis. Foto: Persfotobureau D. van der Veen. Collectie RHC Groninger Archieven dvdv N5-2-5Marie Kamphuis (Zwolle 1907 – Haren 2004) groeide op in een gegoed, gereformeerd gezin in Zwolle. Haar vader was directeur van een groothandel in bouwmaterialen, haar moeder actief als weldoenster.

Na de christelijke HBS ging Kamphuis naar de Diaconessenschool in Amsterdam (1923-1926). Omdat haar moeder ziekelijk was, kwam Kamphuis terug om voor het huishouden te zorgen. Spanningen en een verbroken verloving vormden in 1932 de aanleiding om opnieuw naar Amsterdam te gaan, nu voor een driejarige opleiding aan het Centraal Instituut voor Christelijke-Sociale Arbeid (CICSA). Voor deze opleiding liep Kamphuis stage bij o.a. de Vereniging Opbouw Drenthe. Hier kreeg ze in 1935 een eerste baan als vormingsleidster.

Werkend met de allerarmsten, overwon ze haar verlegenheid. In 1937 verhuisde ze opnieuw naar Amsterdam, waar het CICSA haar wegens haar praktijkervaring benoemde tot adjunct-directrice. Ze gaf er les, begeleidde stages en excursies, organiseerde allerlei schoolzaken en voelde zich als een vis in het water.

Hoewel ze in 1941 de ariërverklaring niet tekende, kon ze gewoon doorwerken. Anoniem schreef ze een pamflet tegen de nazistische Winterhulp. Het CICSA gaf ook cursussen wijkverpleging, en vanuit Groningen kwam het verzoek om deze daar eveneens te geven. Dit leidde er tot een CICSA-dependance (1943), waarover Kamphuis de leiding kreeg.

Na de oorlog bouwde Kamphuis de Groninger opleiding uit. In 1949 werd deze zelfstandig, in 1954 kreeg deze een eigen onderkomen, en vanaf 1958 ging deze de Academie voor Sociale en Culturele Arbeid (ASCA) heten. Met de opleiding wilde Kamphuis het maatschappelijk werk bevrijden van de betuttelende liefdadigheid die een vehikel was voor geloofsijver. Daarvoor deed ze in 1947 en 1954/1955 langdurig inspiratie op in Amerika, waar men respectvol en methodisch naar cliënten luisterde en hun zelfredzaamheid stimuleerde. Haar leerervaringen legde Kamphuis neer in het handboek Wat is social casework, dat tot 1980 elf maal herdrukt is. Ook internationaal timmerde Kamphuis aan de weg. De Duitse vertaling van haar boek werd vier maal herdrukt.

Dankzij Kamphuis raakte de ASCA stevig ingebed in haar omgeving. Afgestudeerden vonden gemakkelijk emplooi. Hoewel ze de democratisering onderschreef, ging Kamphuis’ gezondheid achteruit. Daarom nam ze in 1970 afscheid.

Nadien bleef ze nog actief als supervisor en bestuurder, zoals bij de Onderwijsraad, de Van Mesdagkliniek en de stedelijke welzijnsraad. Ook bleef ze publiceren. Eva’s Lied (1984), een feministisch theologische zangbundel, was mede haar werk
Kamphuis’ naam als gangmaker van de professionalisering in het sociaal werk leeft voort in het gebouw van de Hanze-faculteit sociale wetenschappen. Ook is er een stichting naar haar genoemd, die wetenschappelijk onderzoek naar maatschappelijk werk stimuleert.

Bronnen: Marie Kamphuis, Kijken in de spiegel van het verleden, veertig jaar avonturen in en om welzijnsland (Deventer 1986); Canon maatschappelijk werk (webpagina die toegang geeft tot interviews met Kamphuis door Nel Jagt (1990) en Ischa Meijer (1992); Biografie door Annemarie Kloosterman op website Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland; en de biografische schets bij de archiefinventaris via http://www.atriaontmoet.nl/blog/grande-dame-van-het-social-casework.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Pieter Lauwrens de Vrieze

Piet de Vrieze. Foto: Fotobedrijf Piet Boonstra. Collectie RHC Groninger Archieven 2248-097942Piet de Vrieze (Winschoten 1917 – Groningen 1987) kwam uit een hervormd en muzikaal middenstandsmilieu. Zijn vader, eigenaar van een modehuis, sleepte hem door de HBS. Nadien haalde Piet de Vrieze diverse administratieve diploma’s, voordat hij via de bouwkunde-richting aan de Groninger MTS (1939-1942) naar de Technische Hogeschool in Delft ging. Waarschijnlijk doordat de Duitsers zijn vader doodschoten (1944), kon hij zijn studie bouwkunde hier niet afmaken.

Tussen 1945 en 1949 werkte De Vrieze als tekenaar voor zijn eerste hoogleraar Granpré Molière aan herstelplannen voor de Groninger binnenstad. In 1950 haalde hij het architecten-diploma. Hij werkte enige jaren voor het bureau Nijhuis-Reker en vestigde zich in 1956 als zelfstandig architect.

Qua nieuwbouw ontwierp De Vrieze tussen 1955 en 1966 onder meer de Filadelfiakerk en het gebouw van de provinciale veterinaire dienst in Groningen, naast een huishoudschool in Woldendorp, een bejaardenhuis te Delfzijl en de Adventskerk in Assen. Meestal betrof het zakelijke baksteenarchitectuur met artistieke accenten.

Ook tekende De Vriese indertijd nog interieurs. Veel bekender is hij echter geworden door de restauratie van monumenten, vooral kerken. Zo leidde hij (mede) de restauratie van alle drie de grote binnenstadskerken in Groningen: de Nieuwe Kerk (1952-1955), de Martinikerk (1956-1975) en de A-kerk (1975-1982). Bovendien regelde hij de restauraties van een hele reeks oude kerken op het noordelijke platteland, terwijl hij verder leiding gaf aan de grootschalige opknapbeurten van ettelijke seculiere monumenten, zoals het Waterschapshuis in Onderdendam en het Sichtermanshuis te Groningen.

In tal van lezingen, publicaties en media-optredens legde De Vrieze zijn restauratieplannen uit. Het liefst reconstrueerde hij monumenten zo veel mogelijk naar de oorspronkelijke staat. Voor de Groninger Martinikerk betekende dit bijvoorbeeld, dat het ‘platte dak’ plaatsmaakte voor de vijf dwarsdaken met spitsgevels, die de kerk voor 1680 kende. Toch was De Vrieze geen nostalgist, want hij stond open voor nieuwe ontwikkelingen. Voor de inrichting schakelde hij graag moderne kunstenaars in.

In stedenbouwkundig opzicht kwam hij op voor de historische stad en bekritiseerde hij doorbraken voor autoverkeer en andere afbraakplannen. Zo was hij vanaf 1966 gangmaker van acties tegen de sloop van concertgebouw de Harmonie. Hoewel hij als vakman eigenlijk zijn reserves had over de inbreng van leken, omarmde hij hun politieke rol. Zo werd hij oprichter van de stichting Vrienden van de Stad Groningen (1985).

De Vrieze was lid van vele raden en commissies op cultureel en architectonisch terrein. Hij was een eigenzinnige. aimabele, sociabele man met humor, die mensen wist te boeien en enthousiasmeren. Zijn zelfverzekerde gedrevenheid kon als dominant worden ervaren.

Bronnen: P.L. de Vrieze, Herdenkingsrede ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de voormalige Winschoter H.B.S. (Winschoten 1979); G. Esterik, ‘In memoriam P.L. de Vrieze’, in: Vriendenbulletin; informatieblad van de stichting Vrienden van de Stad Groningen, nr. 4, november 1987, pag. 2; een reeks krantenartikelen, vooral Nieuwsblad van het Noorden van 24.5.1975, 2.11.1982 en 11.6.1987; gesprekken met Egbert van der Werff en Wim Barneveld.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Marchinus Lanting

Ginus Lanting (links) krijgt in 1977 bij zijn inschrijving in het Gulden Boek de erepenning uit handen van burgemeester Buiter (rechts). Foto: Fotopersbureau D. van der Veen. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-9256Ginus Lanting (Groningen 1920 – Groningen 1987) groeide vanaf 1929 op in de woning met kapperszaak van zijn ouders op de hoek van de Zaagmuldersweg en de Hortensialaan. Vanaf 1934 kwam hij bij ze te werken en later nam hij de zaak over. Omstreeks 1950 openbaarden zich bij hem de eerste verschijnselen van reuma. Midden jaren zestig wilde men hem afkeuren, waar hij zich tegen verzette. Daarom werd hij eerst half afgekeurd; pas in 1976 zou hij helemaal ophouden met werken.

Ongeveer gelijktijdig met zijn halve afkeuring werd hij het boegbeeld van een buurtactie tegen huurverhoging. Hij liep met de directeur van de woningbouwvereniging de straat door en belde huis aan huis aan. De directeur begreep toen pas goed, wat er aan de hand was. Uit de actie ontstond de ‘Huurdersvereniging Plan Oost’, waarvoor Lanting, buiten de publiciteit om, heel veel werk verzette.

Bij de renovatie van de huurwoningen in de Bloemenbuurt, begin jaren zeventig, was er niets geregeld over ondersteuning van probleemgevallen. Van zijn klanten hoorde Lanting menig treurig verhaal, waarbij hij zich het lot van mensen aantrok en zich voor ze inspande bij instanties. Hij had het hier heel druk mee – het verhaal ging zelfs dat hij wel eens een half afgewerkte klant in zijn kappersstoel achterliet om iemand in de buurt te gaan helpen.

Als vrijwillig maatschappelijk werker kreeg Lanting het uiteindelijk voor elkaar dat er professioneel maatschappelijk werk in de buurt kwam (1972). Samen met opbouwwerk, bejaardenwerk en sociale advocatuur kreeg dat ruimte in vier samengevoegde woningen aan de Lindenhof (1977). Met de welzijnswethouder legde Lanting de eerste steen van dit onderkomen.

Voor zijn buurtwerk was Lanting hele dagen in touw. Bij de gemeente moet men hem menigmaal een lastige horzel hebben gevonden. Hij was vooral ‘inofficieel’ bezig – voor het zitting nemen in officiële gemeentelijke werkgroepen voelde hij niet veel.

Als socialist was Lanting tevens een zeer betrokken VARA-lid. Vanwege zijn ziekte was hij ook actief voor de Groningse afdeling van de ANIB, de invalidenbond. Bovendien had hij veel contact met mede WAO'ers en deed jarenlang moeite om een permanent ontmoetingscentrum voor deze groep te krijgen.

Volgens een rouwadvertentie, geplaatst door zijn familie, was zijn leven “getekend door eenvoud en sociale behulpzaamheid”.

Bronnen: Nieuwsblad van het Noorden, berichten en advertenties op 14 april 1977, 6 en 10 december 1977 en 16 juni 1987.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Frederik Meis

Fré Meis (Oude Pekela 1921- Groningen 1992) kwam uit een felrood arbeidersgezin te Oude Pekela. Hoewel een goede leerling, ging hij na de lagere school aan het werk als boerenknecht, sjouwer en scheepslosser. Vlak voor de oorlog kwam hij in de werkverschaffing en vanaf 1943 was hij dwangarbeider bij de bunkerbouw op Borkum. Hij dook niet onder en hield zich gedeisd.

Meteen na de Bevrijding sloot hij zich aan bij de Communistische Partij van Nederland (CPN), vanwege het verzet door deze partij in de oorlog. In Winschoten bemande hij een CPN-bureau dat mensen adviseerde over huisvesting, uitkeringen etc. In 1947 riep de CPN hem als colporteur voor de partijkrant naar Groningen. Omdat de CPN echte arbeiders goed kon gebruiken, klom Meis snel op tot het landelijke dagelijks partijbestuur (1955). Door een vakbondskwestie werd hij teruggezet (1958), maar van 1970 tot 1980 was hij opnieuw DB-lid.

Intussen was Meis vooral vakbondsman. Bij de aan de CPN gelieerde Eenheidsvakcentrale (EVC) werd hij algemeen bestuurder (1952). Als zodanig was hij betrokken bij verschillende havenstakingen. Toen de CPN de EVC wilde opdoeken was hij eerst tegen, maar haalde vervolgens bakzeil (1958).

Eind jaren zestig concentreerde Meis zich op het achterblijvende Oost-Groningen, waar de sanering van de agro-industrie leidde tot hevige arbeidsonrust. Als ‘adviseur’ van actiecomités maakte hij o.a. een grote loonstaking van strokartonarbeiders tot een succes. Dankzij Meis stond de streek politiek weer op de kaart.

Voor Meis diende parlementair werk de agitatie. Hij was gemeenteraadslid in Winschoten (1946/1947) en Groningen (vanaf 1949). In 1953 werd hij hier zelfs de CPN-lijsttrekker, maar ook hier zette de CPN hem in 1958 terug, zodat hij niet herkozen werd. In 1960 maakte hij zijn rentree, en van 1962 tot eind 1978 was hij fractievoorzitter. In dezelfde periode zat hij in de CPN-statenfractie, die dankzij het ‘Meis-effect’ in 1970 flink groeide. Hier hamerde hij op de achterstelling van het Noorden. Als noordelijk lijstaanvoerder kwam hij in 1971 bovendien in de Tweede Kamer, waaruit hij in 1977 weer verdween.

Dat jaar moest hij het op doktersadvies kalmer aan gaan doen. Hij trok zich terug uit zijn vertegenwoordigende functies, maar bleef zijn sociale advieswerk trouw. Ook bleef hij ambtenaar burgerlijke stand, en bestuurslid van diverse welzijnsinstellingen. Als orthodox communist betreurde hij de vernieuwing en teloorgang van de CPN.

Fré Meis zette zich graag praktisch in voor de gewone man, wiens taal hij ook sprak: helder en grof. Hoewel bekend als robuust en charismatisch leider, had hij wel degelijk zijn momenten van twijfel.

Bronnen: Gerrit Voerman en Lejo Siepe, Fré Meis (1921-1992): handelsreiziger in revoluties (Zutphen 2002); G. Voerman, ‘Meis, Frederik (1921-1992)’, Biografisch Woordenboek van Nederland, deel V, 337); en http://www.parlement.com/id/vg09llf2yjxw/f_fre_meis

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Pieter Mees

Piet Mees in zijn winkel aan de Vismarkt zz., ca, 1968. Fotograaf onbekend. Collectie Groninger Archieven, aanwinst 2012.109Piet Mees (Groningen 1917 – Groningen 1995) had een zaak in huishoudelijke artikelen en witgoed aan de stille kant van de Vismarkt . Deze winkel, in 1851 als ijzerwarenzaak opgericht door zijn overgrootvader, was overgegaan van vader op zoon. Nog in een ander opzicht trad Piet Mees in hun voetsporen. Ook hij was maatschappelijk zeer actief.

In 1950 werd hij bestuurslid van de Algemene Groninger Winkeliersvereniging (AGWV), die mede dankzij hem een doorstart maakte. Zo zat hij in de organisatie van winkelweken, en overlegde met de gemeente over winkelsluitingstijden. In 1966 werd hij voorzitter van de AGWV. In die rol stimuleerde hij de komst van een wekelijkse koopavond en was hij vanaf 1971 steeds vaker in het stadhuis te vinden, waar een links stadsbestuur plannen voor de binnenstad ontvouwde, die niet altijd even goed vielen bij de middenstand. Weliswaar juichte Mees de komst van voetgangersgebieden toe, maar qua verkeerscirculatie en parkeervoorzieningen moest hij nogal eens dwars gaan liggen.

Als AGWV-bestuurder kreeg Piet Mees steeds meer nevenfuncties. In 1954 kwam hij in het bestuur van de Vereniging voor Volksvermaken, waarvan hij in 1966 voorzitter werd. In die rol regelde hij Bommen Berend- en Oranjefeesten, zomerconcerten, Sinterklaasintochten en bustochten voor meer dan duizend bejaarden.

Vanaf 1960 was hij, net als zijn grootvader, bestuurder van hotel WEEVA. Als WEEVA-voorzitter moest hij daar in 1977 een pijnlijke reorganisatie doorvoeren, terwijl hij een paar jaar later een grootscheepse verbouwing regelde. Verder was hij voorzitter van de Zakenkring Centrum (1963-1978), die zich vooral bemoeide met parkeerkwesties, het verkeerscirculatieplan e.d. Bovendien was hij voorzitter van het Koninklijk Verbond van Ondernemers afdeling Groningen (1963-1975) en namens de Groninger middenstand lid van de Kamer van Koophandel (1956-1980).

Piet Mees droeg vele petten en lang vonden collega’s dat best, maar medio jaren zeventig kwam er tegenkanting. Sommige collegae verweten hem dat hij te weinig communiceerde met zijn achterban. Van zijn kant voelde hij zich niet altijd even gewaardeerd. In 1975 trad hij af als AGWV-voorzitter en vervolgens, gefaseerd, als bestuurder van de andere organisaties. In 1978 besloot hij, bij gebrek aan opvolger, zijn winkel aan de Vismarkt te sluiten.

Hij was toen 61. Na zijn aftreden bij Volksvermaken (1979) bleef hij Volksvermaken adviseren, en organiseerde in 1984 nog mede een grote optocht. Nadien echter, verdween zijn naam uit de krantenkolommen.

Piet Mees hield van organiseren en verzette plichtsgetrouw bergen vrijwilligerswerk. Hij maakte gemakkelijk contact met mensen. Als liefhebber van een goede sfeer, trad hij vaak luchtig op. En als binnenvetter liet hij niet gauw zijn ergernis blijken.

Bronnen: RGC Groninger Archieven Toegang 1774 documentatie bedrijven etc. inv. nr. 1161; idem Toegang 1312 archief Algemene Winkeliersvereniging,inleiding inventaris en inv. nrs. 23 en 64; verder een reeks artikelen uit het Nieuwsblad van het Noorden, waarvan de belangrijkste zijn die van 5.1.1925, 31.1.1956, 29.11.1965, 29.3.1966, 13.1.1969, 8.8.1972, 16.1.1973, 17.2.1973, 28.12.1974, 12.2.1975,10.4.1975, 16.7.1975, 27.3 en 10 en 17.6.1976, 27.8.1977, 2 en 30.9 en 16.11.1977, 3.1.1978, 28.3.1979, 10.1.1980, 25.2.1980, 28.1.1981 en 16.5.1995; mailwisseling met zoon Luuk Mees.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Agnes Carolina Cathérina Nijhoff

Jes Nijhoff. Foto: Bureau Voorlichting gemeente Groningen. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-16009Jes Nijhoff (Maastricht 1913 – Haren 1996) was de dochter van een vermaard waterbouwkundig ingenieur die in 1919 een eigen bureau in Den Haag begon en later adviseur van de Volkenbond was.

Na het gymnasium in Den Haag studeerde Jessie Nijhoff rechten in Leiden (1931-1935). Vervolgens had ze functies op sociaal gebied. Zo pionierde ze in personeelswerk bij verschillende bedrijven. Tegelijkertijd studeerde ze ’s avonds psychologie, vanaf 1941 clandestien. Ze zat in het Haags verzet, dook onder in Heerlen, en verhuisde in augustus 1943 naar Groningen, waar ze chef personeelswerk werd bij Niemeijer. Naderhand is ze wel eens opgepakt, maar ook weer vrijgelaten.

Eind 1946 koos de Groninger Vereniging voor Sociaal en Cultureel Werk haar uit 80 sollicitanten tot directeur van het nieuwe Provinciaal Opbouworgaan. Omdat het een fusie betrof, moest Nijhoff veel weerstanden overwinnen, maar dat ging haar goed af. Het Opbouworgaan coördineerde werkzaamheden op het gebied van preventieve gezondheidszorg, steun aan oorlogsslachtoffers en repatrianten, maatschappelijk werk, dorpshuizen, kleuteronderwijs en jeugdwerk en gezins- en bejaardenzorg. Voor het vrouwelijke vrijwilligerswerk voor bijv. bejaardensociëteiten, ziekenhuisbibliotheken en collectes en inzamelingen, richtte Nijhoff een Provinciale Commissie voor Vrouwelijke Hulpverlening op, waarvan ze later zelf de voorzitter werd. Toen ze eind 1969 ontslag nam als directeur van het Opbouworgaan, bleef ze nog drie jaar aan als presidente van die commissie. Ook bleef ze nog secretaris-penningmeester van het provinciale Anjerfonds.

Net als haar vader was Nijhoff liberaal. Meteen na de oprichting (1948) werd ze lid van de VVD. Rond 1960 was ze voorzitter van de VVD Vrouwen en in 1962 kwam ze voor de VVD in de Groninger gemeenteraad. Hoewel ze in 1964 als raadslid bedankte, gold ze als een aanwinst en in 1965 haalde men haar over om weer zitting te nemen. Ze voerde vooral het woord over volksgezondheids- en welzijnszaken, maar kwam ook op voor een goed leefmilieu. Wellicht dat ze daarom in 1970 met 38 van de 39 stemmen tot wethouder Volksgezondheid, Maatschappelijk Werk èn Milieuhygiëne werd gekozen. Bij de bestuurscrisis van 1972 echter, trad ze alweer af.

Wel bleef ze raadslid en in 1974 was ze zelfs lijsttrekker van de VVD. Ze betreurde de polarisatie en de linkse meerderheidscolleges, maar viel personen er niet om af. Toen ze in 1976 in de Staten kwam, gaf ze het raadslidmaatschap op. Ze zou nog drie jaar statenlid blijven en pleitte onder meer voor subsidie aan “flikkertheater” Supertamp.

Jessie Nijhoff stond bekend om haar verdraagzaamheid, gelijkheidszin, openheid, dossierkennis en heldere taalgebruik.

Bronnen: Groninger Archieven Toegang 2170 archief Stichting voor Vrouwelijke Hulpverlening, inleiding op de inventaris en de inv. nrs. 1, 2, 3 en 9; Pronkjewail nov. 1970, p. 2-4; en vele krantenartikelen, m.n. Nieuwsblad van het Noorden 2.1 en 14.11.1913, 1.6.1962, 14.2 en 21.3.1964, 9.4.1965, 29.10.1969, 26.5 en 28.5 en 2, 3 en 16.9.1970, 5.9 en 14.10.1972, 18.5.1974, 21.7 en 1.9 en 16.10.1976, 13.9 en 12 en 19.12.1979, 25.6.1983, 19.4.1996.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Frederikus Jan Stinissen

Frits Stinissen opent het kantoorpand van Gruno aan het Hoendiep, 18 maart 1978. Foto van onbekende fotograaf. Collectie Els StinissenFrits Stinissen (Groningen 1915 - Groningen 2002) was de zoon van een sociaaldemocratische ambtenaar bij de spoorwegen. Zijn vader was tevens mede-oprichter en bestuurder van de woningbouwvereniging Gruno.

Frits Stinissen stapte na de vierde klas van de Rijks-HBS over naar de MTS, waar hij zowel slaagde voor het eindexamen bouwkunde (1936) als dat van weg- en waterbouwkunde (1937). Vervolgens werkte hij voor de gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Winschoten en Nieuwe Pekela. Na de oorlog werd hij gemeente-architect van ’s Gravenzande, waar zijn eerste vrouw overleed. Toen woningbouwvereniging Gruno hem eind 1953 vroeg om haar eerste directeur te worden, stemde hij ondanks een dreigende pensioenbreuk toe en verhuisde terug naar Groningen.

Door de Wederopbouw kwamen er veel taken op de corporaties af en daarom professionaliseerde Gruno. Op dat moment had zij 780 woningen, bij het vertrek van Stinissen in 1980 waren dat er 7000. In dezelfde periode steeg het aantal arbeidsplaatsen bij Gruno van 5 naar 80.

Het eerste project dat Stinissen trok, waren de lage flats in Kostverloren. Dankzij hem voldeden deze aan de hoogste standaarden voor volkshuisvesting, met collectieve waskelders en centrale wijkverwarming. Hiervoor werden studiereizen naar Kopenhagen, Hamburg en Düsseldorf gemaakt (1954, 1955). Ook schakelde Stinissen, een liefhebber van kunst, kunstenaars in voor de nog steeds bestaande muurschilderingen op de kopgevels.

Uit hoofde van zijn functie werd Stinissen weldra lid van onder meer de gemeentelijke huurcommissie en de adviescommissie inzake invordering van woonruimte. Ook was hij vanaf 1957 bouwheer van het Heymanshuis. Van 1958 tot 1967 zat hij voor de PvdA in de gemeenteraad. Hij bevond zich hier op de linkerflank en pleitte als fractiewoordvoerder volkshuisvesting en openbare werken onder meer voor staatswoningbouw en tegen de demping van de Westerhaven (1960).

Na zijn raadslidmaatschap werd hij nog lid van de stedelijke Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (1973) en de Stuurgroep Huisvesting Een en Tweepersoonshuishoudens (1976). In die tijd werd hij een pleitbezorger van stadsvernieuwing, bewonersinspraak en huisvesting voor alleenstaanden. Wat betreft de stadsvernieuwing was Gruno zelfs de eerste partner van de gemeente Groningen nadat een jong en links programcollege het roer had omgegooid van grootschalige stadsdoorbraken naar behoud van bestaande structuren en wijken. Dit stadsbestuur gebruikte Gruno daarbij ook wel eens om andere corporaties overstag te laten gaan.

Stinissen drukte eveneens de voetsporen van zijn vader als bestuurslid van de CVU, de Coöperatieve Vereniging voor Uitvaartverzorging (1965-1983). Hij gold als een ouderwetse, sobere sociaaldemocraat, en was qua karakter een introverte, betrouwbare, maar ook vriendelijke man met een groot sociaal rechtvaardigheids- èn verantwoordelijkheidsgevoel.

Bronnen: Een reeks krantenartikelen, w.o. NvhN 11.10 en 8.12.1960, 28.2.1978, 28.9.1979, 10.6 en 31.10.1980; Gezinsbode 26.9.1979 en 29.10.80; Woningraad 10.11.1980. Verder dossier CVU in archief Handelsregister (Groninger Archieven 1972-2010669) en gesprekken en correspondentie met Els en Age Stinissen, Auke Slor en Peter Kuenzli.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Theodorus Johannes Harmannus Westen

Theo Westen. Foto: Fotobedrijf Piet Boonstra. Collectie RHC Groninger Archieven (2248-75561)Theo Westen (Groningen 1909 – Groningen 1990) kwam uit een katholiek middenstandsmilieu. Terwijl zijn moeder een winkel – ‘Magazijn Hercules’ – in gebreid ondergoed, sokken en garens dreef, was zijn vader op pad als handelsreiziger.

Tijdens en na de MULO, waarvoor hij in 1924 slaagde, volgde hij muzieklessen aan de Groningse Muziekschool, die ook beroepsmusici opleidde. Bij de uitvoering van april 1927 behoorde hij tot de uitblinkers. Hij speelde er op piano een Scherzo van Chopin, volgens het Nieuwsblad “een van de beste voordrachten”. In 1928 slaagde hij cum laude voor cello en orgel. Cello werd zijn hoofdinstrument, aan orgel deed hij weinig meer. Ook nam hij privélessen bij verschillende leraren. Zo leerde hij tevens instrumenten als hoorn en trombone bespelen.

Tussen 1929 tot 1974 was Westen, aanvankelijk als volontair, cellist bij de Groninger Orkest Vereniging (GOV) die vanaf 1961 het Noordelijk Filharmonisch Orkest (NFO) ging heten. Daarnaast begon hij te componeren. In 1930 werd zijn eerste werk, ‘Poème romantique’ uitgevoerd door de GOV. In de jaren erna volgden nog heel wat stukken, en niet alleen orkestmuziek. Zo schreef Westen ook sacrale koormuziek, zoals een ‘Missa ad Majorum Deum Gloriam’, die in 1935 voor het eerst werd uitgevoerd in de Paterskerk aan de Gelkingestraat, waar hij tot 1956 de vaste dirigent van het mannenkoor was.

Westen had ook belangstelling voor volksmuziek en voor de grunneger toal. Hij verzon vele passende melodieën voor Groningse gedichten, liedjes en toneelstukken en hij werkte als arrangeur mee aan een heruitgave van het 't Grunneger zangbouk van meester Groen.

Behalve cellist en componist was Westen een begaafd dirigent, die mede door zijn beminnelijke persoonlijkheid amateurgezelschappen tot grote prestaties wist te brengen. Zo gaf hij leiding aan onder meer de Zangvereniging van De Grunneger Sproak, het Gronings Kamerkoor en Gruno’s Postharmonie. Zijn grootste successen boekte hij met het Gronings Politie Muziekkorps. Toen hij in 1943 met dit korps begon te werken, stond het in de vierde afdeling van de sectie Fanfare van de Koninklijke Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen. In negen jaar tijd tilde Westen dit orkest naar het hoogste niveau. In die vaandelafdeling behaalde het korps jaren achtereen de eerste prijs en in 1958 werd het zelfs Nederlands kampioen.

Dankzij zijn grote verdiensten als dirigent werd Theo Westen ook vaak gevraagd als jurylid bij concoursen voor solisten, koren en fanfare- en harmonieorkesten. Zijn grote inzet voor de amateurkunst bleef niet onopgemerkt. In 1969 mocht hij de Culturele Prijs van de Provincie Groningen in ontvangst nemen.

Bronnen: J.M. Minderhoud en Heinz Wallisch, 150 jaar NNO (Bedum 2012) 147; een reeks artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, vooral 11.4.1927, 16.10.1935, 15.10.1965, 24.12.1968, 17 en 18.2. 1969 en 6.9.1990; Groninger Archieven, Toegang 1776, Provinciaal Bestuur van Groningen, inv. nr. 7727 (toekenning Culturele prijs) map 7: 1964 – 1968; Fredriekje de Jongh over Theo Westen op Het Verhaal van Groningen.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Berend Tent

Bé Tent. Foto: Persfotobureau D. van der Veen. Collectie RHC Groninger Archieven 2208-0433Bé Tent (Groningen 1924 – Eelde 2011) was zoon van een ziekenhuisbediende te Groningen. Hij slaagde in 1947-1948 voor de hoofdonderwijzersakte en werd intussen benoemd aan de Prins Willemschool aan de Prinsenstraat. In 1954 plaatste B&W hem over, maar in 1960 keerde hij als schoolhoofd terug naar de Willemschool. Deze verhuisde in 1968 naar de Van Iddekingeweg, waar ze Erasmusschool ging heten en geheel werd omgezet in een school voor “zeer moeilijk opvoedbare kinderen”. Na nog eens een verhuizing van deze school ging Tent met vervroegd pensioen (1984).

Via zijn werk raakte Tent in 1951 betrokken bij het Vakantiekinderfeest (VKF). Jaarlijks kregen alle leerlingen uit de hoogste klas van de openbare lagere scholen in de stad vlak voor de zomervakantie een dagtocht per speciale trein naar Beilen aangeboden, waar ze zich vermaakten op het Terhorsterzand. Omdat het steeds om ca. 1600 kinderen ging, kostte deze traditie veel werk. In 1959 werd Tent penningmeester van de organisatie, die door collectes aan haar geld kwam. Ook liep Tent vanaf 1971 steeds met een accordeonist voorop, als de terugkerende kinderen van het station naar de Vismarkt liepen. Hier leidde hij bovendien steeds de massale samenzang voor afhalende ouders en andere stadjers. Zodoende was Tent hèt gezicht van het VKF tot 1982, toen de traditie stopte.

Bé Tent was socialist en geheelonthouder. In 1958 werd hij voorzitter van de PvdA-federatie Groningen-stad. In 1962 kwam hij in de Provinciale Staten, waar hij PvdA-woordvoerder onderwijs en cultuur werd. Als federatievoorzitter kreeg hij vanaf 1968 in toenemende mate problemen met de jonge, linkse garde. Hoewel als voorzitter herkozen, trad hij begin 1970 af vanwege het uitrangeren van oudere, meer behoudende raadsleden. Weliswaar werd hij nog wel herkozen als statenlid, maar toen de jongeren de macht in de PvdA helemaal overnamen, zegde hij het staten- èn het partijlidmaatschap op (1972). Naar eigen zeggen ging het om de moeilijkste beslissing uit zijn leven.
Maatschappelijk kon Tent zijn ei nog kwijt als bestuurder van Volkshuisvesting. Van 1980 tot ca. 1994 was hij voorzitter van deze grote woningcorporatie.

Ten slotte was Tent vanaf 1973 twaalf jaar voorzitter van de jeugdcommissie en vanaf 1985 zes jaar algemeen voorzitter van Velocitas. Bij deze voetbalclub initieerde hij het Eurovoetbal-toernooi, maar trok zich uit de organisatie terug toen professionalisme het won van amateurisme (1982). Eenzelfde motief leidde tot zijn opstappen als Velocitas-voorzitter, eind 1990. Wel bleef hij supporter. Uit eerbetoon is de fairplay cup bij Eurovoetbal naar Tent genoemd.

Bé Tent was een ouderwetse sociaaldemocraat: sociaal, aimabel en daadkrachtig, en ook oprecht, principieel en rechtlijnig.

Bronnen: Nieuws- en Dagblad van het Noorden een reeks artikelen, o.a. d.d. 8.7.1965; 29.3 en 27.6.1968; 4.2.69 en 8.11.1969; 14.1 en 20.2.1970; 18.9.1972; 13.10.1973; 18.2.1977; 24.10. 1980; 31.3.1981; 12.5 en 13.5 en 25.5 en 30.6 en 6.7.1982; 7.6.1984; 6.11.1990; 24.12.1993; 30.8.2007; en 13.5.2011.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Hendrien Buiter - van Schooten

Hens Buiter (links) met de 104-jarige mevrouw Fokkinga in Hoornse Heem (1975). Foto: Persfotobureau D. van der Veen. Ccollectie RHC Groninger Archieven 1785-9218Hens van Schooten (Almelo 1925 – Groningen nu) werd geboren als dochter van een procuratiehouder bij de Nederlandsche Bank. Na de HBS-B volgde zij in het ziekenhuis te Almelo een (onvoltooide) opleiding verpleegkunde.

Intussen leerde zij de Amsterdamse economiestudent Harm Buiter kennen, die in 1944 ondergedoken zat bij haar ouders en een verzetsnetwerk leidde. Ze trouwden in 1947 te Almelo en vestigden zich in Amsterdam. Daar en in Den Haag en Rotterdam zijn hun kinderen geboren.

Via de vakbond voor metaalbewerkers werd Harm Buiter in 1958 secretaris van de Europese Vakbeweging en in 1967 secretaris-generaal van het Internationaal Verbond van Vrije Vakverenigingen. Hetgeen betekende dat het gezin jarenlang in Luxemburg en Brussel woonde. Europa stond indertijd nog in de idealistische steigers. Terwijl haar man veelvuldig op pad was voor overleg en onderhandelingen, hield Hens, aldus een huisvriend, “het gezinsschip drijvend en op de juiste koers”.

In 1971 werd haar man burgemeester van het woelige Groningen, waar men van een burgemeestersvrouw nog het een en ander in de representatieve sfeer verwachtte. Ze waren maar net in Groningen gevestigd, of Hens kreeg een uitnodiging om te spreken op een slotmiddag van de gezamenlijke bejaardensociëteiten in de Stadsschouwburg. Ze werd een gang door geleid, er ging een gordijn open en ze vond ze zichzelf op het podium terug, voor een volle zaal. Wat ze zei, wist ze naderhand niet meer, maar ze redde zich eruit en men luisterde aandachtig.

Na deze vuurdoop nam ze bijna alle ceremoniële taken van de burgemeester op zich, vooral die met een sociaal aspect. Ze woonde hoogtijdagen van vrouwenverenigingen bij., luisterde sportdagen en zwemexamens van gehandicapten op, reikte prijzen uit op schoolvoetbaltoernooien, opende gebouwen, voorzieningen en tentoonstellingen, en bezocht diamanten bruidsparen en verjarende honderdplussers. Menigmaal was dit geen sinecure. Op een gehandicaptenzwemdag was zij van ’s ochtends vroeg tot laat in de avond aanwezig, en als (ere)presidente van de Nederlandse Vereniging van Huisvrouwen en de Stichting voor Vrouwelijke Hulpverlening verzette ze qua contacten veel werk.

Bij nagenoeg elke raadsvergadering zat zij bovendien op de publieke tribune. Niet alleen vormde zij een klankbord voor haar man, ook nodigde zij bij problemen in het college de wethouders nogal eens bij haar thuis uit, waar dan bij een maaltijd de angel uit een conflict kon worden gehaald. Zodoende had zij achter de schermen veel invloed.

Als “mensenmens” heeft zij na afloop van haar mans burgemeesterschap (1985) al die contacten wel eens gemist. Omgekeerd misten maatschappelijke organisaties nadien nogal eens een burgemeestersvrouw met eenzelfde taakopvatting als Hens Buiter.

Bronnen: Hanneke Boonstra (red.), Harm Buiter tachtig (Groningen 2002); ‘Overleden oud-burgemeester van Groningen leidde verzetsgroep in Almelo’, Tubantia 26 februari 2011; een reeks artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden; gesprek met Hens Buiter - van Schooten 27 maart 2013.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Peter Wilhelm Heinrich Drenth

Peter Drenth. Fotograaf onbekend. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-10172Peter Drenth (Haste 1913 – Groningen 2004) groeide op in een arbeidersmilieu, de eerste zeven jaar in Duitsland, daarna in de buurtschap Gideon, vlakbij de stad aan het Winschoterdiep, en in de stad zelf. Na de ambachtsschool ging hij op zijn vijftiende aan het werk als timmerman. Een vak dat hem na aan het hart bleef, hoewel hij ook uitvoerder in de bouw is geweest. In zijn loopbaan kreeg Drenth menigmaal ruzie met een baas en vooral in de jaren dertig was hij nogal eens werkloos. Hij zat dan in de werkverschaffing.

Als kortstondig lid van de communistische jeugdbond (1932), beviel hem de stalinistische koers niet. Vanaf dat moment tot 1952 was hij actief voor een reeks trotskistische splintergroepen, die zich voornamelijk bezighielden met het uitventen van krantjes. Rond 1940 werkte Drenth perioden in Duitsland. In Bremerhaven raakte hij betrokken bij een staking en hij werd Duitsland uitgezet. Weer thuis verschafte hij joden onderdak en verspreidde illegaal drukwerk. Hij stond op een dodenlijst, maar ontsprong de dans.

Na de oorlog bouwde Drenth een naam op door zijn activiteiten voor de Bouwbond EVC en bij kleine stakingen. In 1952 was hij de splinterclubjes beu, en meldde zich aan bij de PvdA en de Bouwbond NVV, waar men hem met wantrouwen ontving. Door zijn inzet echter, verwierf hij respect. In 1959 werd hij bestuurder van de lokale Bouwbond NVV, om dat twintig jaar te blijven, meest als voorzitter. Vanaf 1961 was hij ongeveer even lang raadslid voor de PvdA.

Tot 1969, 1970 voelde hij zich geïsoleerd in de raadsfractie, maar de revolte van Nieuw Links en radicale jongeren in zijn partij bracht hem waardering. Zo zat hij langdurig in de raadscommissie voor woonruimteverdeling en ruimtelijke ordening. In die rol bleek Drenth sterk voor zowel het verkeerscirculatieplan (1977) als de stedelijke vernieuwing (vanaf 1978).

Na zijn raadsperiode was hij nog jarenlang voorzitter van o.a. de huurdersvereniging Gruno en de lokale afdeling van de ouderenbond ANBO. Onder zijn leiding stelde de ANBO zich politieker op.

Toen hij uit de raad vertrok, vond het Nieuwsblad dat “jammer voor de sfeer, want Drenth is een innemende persoonlijkheid”. “Als socialist ben je toch in de eerste plaats mens”, vond hij zelf. Wel memoreerde de krant wat “heftige emotionele uitbarstingen” tegen politieke tegenstanders. Hoe vriendelijk ook, Drenth kon nogal bruusk zijn en liep bij waargenomen onrecht zeker niet voor conflicten weg.

Bronnen: Karel ten Haaf, In de geest van Oktober. Het verhaal van Peter Drenth (1999); een reeks artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, waarvan de belangrijkste verschenen op: 7.3.1975, 27.4.1979, 14.5.1982, 20.12.1990, 4.9.1999 en 5.5.2004.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Hendrik Sinnige

Henk Sinnige. Fotograaf onbekend. Fotocollectie Joop SinnigeHenk Sinnige (Groningen 1914 – Groningen 2006) was zoon van een typograaf. In 1934 en 1937 haalde hij tuinbouwdiploma’s en in 1956 een diploma kinderbescherming.

In de eerste oorlogsjaren werkte Sinnige nog voor de plantsoenendienst. Om tewerkstelling in Duitsland te ontkomen, werd hij kachelvuller op gemeentelijke scholen. Zo kwam hij op een BLO-school, waarvan het hoofd hem vroeg of hij een weiland bij Helpman wilde omzetten in tuinland (1944). Hier begon de Vereniging Zwakzinnigenzorg (VZz) een groentenkwekerij die werk bood aan licht-zwakzinnige jongens en mannen. Sinnige werd hun werkleider-tuinman.

Na een moeizame start, liep deze kwekerij goed. In 1949 huurde de VZz een naburige boerderij, die verbouwd werd tot een gezinsvervangend tehuis met werkplaatsen. Deze ‘Zuidemahoeve’ bood onderdak aan 12 (1950) tot 23 (1962) pupillen en Sinnige en zijn vrouw werden de full time beheerders, met personeel onder zich.

Een privéleven hadden de Sinniges eigenlijk niet. Ze gingen ook met de pupillen op vakantie. Na de totstandkoming van de Werkvoorziening Stadspark (1962) werden de tuinen, werkplaatsen en het meeste personeel afgestoten. Wel bleven Sinnige en vrouw tot 1968 de Zuidemahoeve als tehuis beheren. Inmiddels was hij benoemd tot hoofd interne zaken bij de Stichting Voorzieningen Geestelijk Gehandicapten en werd zo voor drie tehuizen in de stad verantwoordelijk voor onder meer de ontspanning.

Destijds kwam de gehandicaptensport op en Henk Sinnige speelde daar voor Groningen een cruciale rol in. Vanaf 1968 organiseerde hij allerlei sportactiviteiten. Er kwamen ook sportclubs en provinciale sportdagen voor mensen met een verstandelijke beperking. Op initiatief van Sinnige werd in 1975 een speciale sportkoepel opgericht: stichting De Brug. Deze naam stond tevens voor integratie van gehandicapten- en validensport.

De clubs waren verspreid over heel de stad actief en na zijn pensionering (1979) werd het Sinniges missie om een centraal clubhuis te stichten. In een vrije rol bij de VZz, sprak hij zijn netwerk aan. Hij stak veel tijd en energie in deze fondswerving. In 1983 werd het clubhuis aan de Donderslaan geopend. Het kreeg de naam Sinnigestee.

Nog een wens was een centrale sporthal. Ook hiervoor bracht Sinnige het geld deels bijeen. De accommodatie verrees naast de Sinnigestee en kreeg De Brug als naam (1992). Zowel verstandelijk gehandicapte als valide sporters kunnen er terecht en de hal bevordert daadwerkelijk hun integratie. Ook nadien bleef Sinnige als vrijwilliger actief. Na zijn overlijden vormde de VZz zich om tot het Sinnige Fonds (2009).

Henk Sinnige was een onvermoeibare, praktisch ingestelde en resultaatgerichte doener, die mensen gemakkelijk om zijn vingers wond. Soms ervoer men zijn vasthoudendheid als lastig.

Bronnen: Jet Spits, Een plekkie in de maatschappij… Vereniging Zwakzinnigenzorg Groningen & stichting Sinnige Fonds 1913-2010 (Groningen 2011), vooral vanaf pag. 80; Nieuwsblad van het Noorden meerdere artikelen, vooral 1.12.1993; interview met Joop Sinnige op 12.6.2013.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Antonius Hendrikus Peter Grotens

Ton Grotens (Nijmegen 1932 - Veghel 2015) kwam uit een katholiek gezin. Zijn vader was gemeenteambtenaar grondzaken. Na de HBS studeerde Grotens in Nijmegen politieke en economische wetenschappen (1949-1955), een studie die hij cum laude afrondde. Voor zijn bijbaan taxeerde hij woningen voor de huuradviescommissie en deed zo veel mensenkennis op.

In 1957, na zijn diensttijd, begon Grotens als hulphouwer bij de Staatsmijnen in Zuid-Limburg waar hij alle ondergrondse rangen doorliep en eind 1962 benoemd werd tot waarnemend chef arbeiderszaken. Vanaf 1965, toen de mijnen dichtgingen en Staatsmijnen zich omvormde tot het petrochemische staatsbedrijf DSM, regelde Grotens omscholingscursussen en vervroegde pensioneringen. In 1970 werd hij chef staf commerciële zaken bij DSM en in 1971 directeur van de polymerengroep. Deze wist hij uit een dal te trekken, waarvoor hij veel waardering oogstte. Als kersvers directeur van de DSM-divisie kunststoffen (1975) maakte hij de gevolgen van een ramp met een naftakraker mee. In deze functie en en als (vice)voorzitter van de APME (de Europese organisatie van plasticproducenten) verdedigde hij rond 1980 plastics tegen milieubezwaren en ageerde hij tegen dumping van halffabrikaten vanuit Amerika.

In 1982 werkten er zo’n 5000 mensen bij DSM-kunststoffen. Een jaar later vroeg het kabinet Grotens om hoofddirecteur te worden van de Gasunie in Groningen, een commercieel werkend staatsbedrijf voor de verhandeling en het transport van aardgas. Na een inwerkperiode begon Grotens hier in mei 1984. Als Gasunie-baas trad hij vooral naar buiten in discussies over de gasprijzen, de export van gas en de opslag van gas in zoutkoepels. Ook begon tijdens zijn directoraat de bouw van het nieuwe hoofdkantoor van de Gasunie bij het Stadspark (1990).

Groningen dankt nog een ander markant gebouw aan Grotens’ Gasunie. Het bedrijf, dat al moderne kunst aankocht en tentoonstellingen organiseerde, schonk in 1987 de stad Groningen 25 miljoen gulden voor de bouw van een nieuw Groninger Museum, dit als cadeau wegens zijn 25e verjaardag. Grotens adviseerde non-conformistische architectuur op een locatie vlakbij het station en en kreeg hierin zijn zin. Vlak voor zijn pensionering in 1992 startte hij de bouw. Naast het ereburgerschap van de stad ontving hij de Nieuwsblad van het Noordenprijs, omdat de Gasunie onder hem was geëvolueerd tot een stevig in Groningen verankerd bedrijf.

In zijn Groningse periode was Grotens tevens bestuurslid van het RK Ziekenhuis, de Maatschappij van Nijverheid en Handel en het Prins Bernhardfonds.

Grotens stond bekend als een serieuze, praktisch ingestelde, doelgerichte en voortvarende man, die attent was voor mensen, maar geprononceerde standpunten niet schuwde.

Bronnen: Limburgsch Dagblad, enige tientallen artikelen uit de periode 1962-1983, vooral d.d. 21.12.1962, 31.3.1970, 8.6.1971, 21.10.1980, 25.8 en 19.9.1981, 26.6.1982 en 31.3.1983. Eveneens enige tientallen artikelen uit het Nieuwsblad van het Noorden, vooral d.d. 29.3.1983, 29.9.1987, 19.10.1991 (profiel) en 31.12.1991 (groot interview). En een telefonisch interview met de heer Grotens op 12.7.2013.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Katrine Heika Kwikkel - Mulder

Katrien Kwikkel (2005). Collectie Harm Jan KwikkelKatrien Mulder (Vlissingen 1913 – Groningen 2006) was de dochter van een gereformeerde gymnasiumleraar Engels. Zij groeide op aan de Anna Paulownastraat in Groningen. Na de HBS volgde zij een verpleegstersopleiding in het Julianaziekenhuis te Amsterdam. Ook haalde ze het diploma wijkverpleging. In de oorlog werkte ze voor de pedagoog prof. Jan Waterink (VU), later een pionier qua seksuele voorlichting, waarover ze altijd met bewondering sprak.

Katrien Mulder trouwde in 1944 met de vrouwenarts Cees Kwikkel. Hun oudste kind werd in de hongerwinter te Rotterdam geboren. In 1946 vestigde het gezin zich aan de Westersingel in Groningen, waar Kwikkel ook praktijk hield. Daarnaast werkte hij voor het Diaconessenziekenhuis. Toen hij als dienstplichtig chirurg in Indië verbleef (1947-1949), werd zijn vrouw zeer zelfstandig, wat bij zijn terugkomst spanningen gaf. Toch respecteerde hij haar ontwikkeling, zodat hun huwelijk in stand bleef.

Van 1952 tot na 1964 was Katrien Kwikkel bestuurslid van de christelijke Hendrik Piersonvereniging (of ‘Middernachtzending’), die prostituees, ongehuwde moeders en hun kinderen hielp. Voortdurend was ze beschikbaar voor vrouwen in nood. Verder gaf ze cursussen gezinsverzorging en was ze jarenlang bestuurslid van de Raad voor de Kinderbescherming en secretaris van de Commissie van Toezicht op het Huis van Bewaring (1956-1971). Van 1965 tot 1971 zat ze bovendien in de Stedelijke Raad voor Maatschappelijk Welzijn, met als aandachtsveld Ongehuwde Moederzorg.

Prostituees beschouwde ze als medemensen en adoptie van buitenechtelijke kinderen vond ze ongewenst. Verder leren we haar opvattingen kennen door lezingen die ze tussen 1957 en 1981 gaf, eerst voor christelijke, later ook voor algemene vrouwenverenigingen. Deze gingen vooral over de positie van de vrouw. Opmerkelijk is, dat ze in 1962, toen feminisme louter iets uit een ver verleden was, al opkwam voor emancipatie, juist ook in eigen kring. Anderzijds mochten vrouwen niet te mannelijk worden. In 1962 pleitte ze voor seksuele voorlichting, en in 1965 voor een vrijere opvoeding. Naderhand behandelde ze zelfs controversiële onderwerpen als homoseksualiteit en abortus, waarmee ze voorop liep.

In de jaren zeventig was ze dan nog mede-oprichter en voorzitter van het Jongeren Advies Centrum (JAC) en zette ze VOS-cursussen op (Vrouwen Oriënteren zich op de Samenleving). Als honorair ambtenaar burgerlijke stand trouwde ze zo’n 1300 paren. Zoals veel gereformeerden, werd ze allengs progressiever, hoewel ze tot haar dood toe lid CDA-lid bleef.

Katrien Kwikkel was een sterke persoonlijkheid: hartelijk, sociaal en volhardend, maar niet altijd even gemakkelijk. Ze had een brede belangstelling en wist een gehoor goed te boeien.

Bronnen: NvhN m.n. 16.11.1962; 29.5.1970, 22.1.1993. Groninger Archieven, Toegang 1578 archief Stedelijke Raad voor Maatschappelijk Welzijn, de inv. nrs. 46 en 138. Gesprekken met Harm Jan Kwikkel en Klaartje Mulder, Wageningen en Sophia Kwikkel, Amsterdam.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Gerard H. Sampon

Gerard Sampon. Foto: Frank Straatemeier. Collectie RHC Groninger Archieven 2290-8819Gerard Sampon (Westerlee 1914 – Groningen 1997) was de zoon van een stad-Groninger PTT-ambtenaar, die in 1911 Gruno’s Postharmonie oprichtte. In 1929 werd Sampon junior trombonist bij de Postharmonie, en van 1930-1933 was hij lid van het bekende dansorkest de Plusfours. Nadien ging hij bestuurlijk werk doen voor de Postharmonie.

In 1939 kwam hij als besteller in dienst van de PTT. Tijdens de Bezetting onderschepte hij brieven, bestemd voor de Sicherheitsdienst, en deed ander verzetswerk. Na de Bevrijding wijdde hij zich als tekstschrijver, componist, regisseur, decorontwerper èn komiek aan ‘Potetos’, een stedelijk PTT-revuegezelschap dat furore in heel het noorden maakte.

Sampons vrijwilligerswerk en loopbaan gingen hand in hand. Inmiddels schrijver-lokettist, werd hij voorzitter van de Postharmonie, wat hij veertien jaar bleef. Omstreeks 1953 stelde de PTT hem vrij als bestuurder van de landelijke organisatie van PTT sport- en ontspanningsverenigingen, waarvoor hij het hele land afreisde. Maar als Postharmonie of Potetos thuis feest vierden, was Sampon van de partij.

Ook stedelijk wist men hem te vinden. Dat begon met het 4 Mei-comité waarvan hij van 1945-1985 bestuurslid was en waarvoor hij muziek en routes regelde. Vanaf ca. 1957 organiseerde en regisseerde hij tevens de Koninginnedagtaptoes. Het ging om lopende uitvoeringen, ‘s avonds op de Grote Markt, waaraan minstens zes korpsen en vierhonderd muzikanten deelnemen. Qua muziek en choreografie kwam daar veel bij kijken: “Vrije tijd heeft de heer Sampon niet”. Maar hij oogstte complimenten voor de “uitstekende” organisatie en als administrator en bestuurslid van de Vereniging voor Volksvermaken (vanaf 1960) werd hij dan ook verantwoordelijk voor het harmonie-gedeelte op Bevrijdingsdagen, bij Gronings Ontzetvieringen, Sinterklaasintochten en buitengewone Oranjefeesten. De gemeente nam hem zelfs in dienst als assistent-directeur van de Stadsschouwburg (1967-1974). Vanaf 1979 organiseerde hij als vicevoorzitter van het gemeentelijke 5 mei-comité bevrijdingsfestivals voor ouders stadjers in de Evenementenhal.

In 1985 kwam er een eind aan al dit vrijwilligerswerk. Hij bleef echter bestuurslid van de Stichting Martini Beiaard (1984-1993) en ook bijzonder ambtenaar van de burgerlijke stand (1965-1994). Wat dit laatste betreft sloot hij zijn ambtsperiode uiteindelijk af met een recordaantal van 3260 huwelijken (gemiddeld 2 per week). Bovendien bleef hij tot 1989 voorzitter van de in 1978 door hem opgerichte federatie voor alle stad-Groninger muziekkorpsen (FGMC), die opleidingen, subsidies en repetitieruimte ging regelen.

Gerard Sampon was een aimabele, originele, kleurrijke, sociale en communicatieve man, die niet van onrecht en poespas hield. Aan eerbewijzen heeft het hem niet ontbroken. In 1964 al, werd er een mars naar hem genoemd. Ook het Gerard Samponhuis draagt zijn naam.

Bronnen: Vele artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, o.a. 30.10.1946, 15.4.1961, 12.4.1962, 6.11.1964, 29.4.1965, 14.6.1967, 14.10.1978, 10.3.1979, 18.5.1985, 16.10.1985, 3.5.1988, 29.5.1989, 7.12.1993, 23.8.1994; gesprek met Lidy Oonk-Sampon (15 maart 2013); genealogie Sampon; pagina over de Plusfours van het Poparchief Groningen; radiodocumentaire van Gerard van den Berg over Gerard Sampon (2000).

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 3 in het Gulden Boek

Iene Hilbertus Oost

Iene Oost bij zijn afscheid als voorzitter van de Groninger Ouderenraad (1999). Collectie Bert OostIene Oost (Groningen 1925 - Groningen 2010) kwam uit een rood nest. Zijn vader was post-employé. Zelf werkte Iene Oost na de MULO kort bij de gemeentelijke sociale dienst. Vervolgens werd hij door de Duitsers tewerkgesteld op de vliegbasis Deelen (1943), maar dook onder in Eindhoven. Hier hielp hij het laatste halfjaar van de oorlog bij voedseltransporten.

Sinds eind 1945 werkte hij als schrijver bij het PTT-telefoondistrict Noord en klom hier op tot directiesecretaris (1970-1985). In die functie was hij tevens hoofd interne zaken, maar ook persvoorlichter. Bovendien gold hij als vertrouwensman voor medewerkers die conflicten hadden met leidinggevenden.

Naast zijn baan deed Iene Oost zeer veel vrijwilligerswerk. Zo leidde hij van ca. 1955 tot in de jaren zestig vakantieweken voor jongens uit gezinnen die zelf geen vakantie konden betalen. Van medio jaren zestig tot 1985 was hij vrijwillig beheerder van een camping van Zon en Vrijheid in Gasselte. De stichting Zon en Vrijheid exploiteerde (en exploiteert) de voormalige AJC-campings en groepsaccommodaties. Hij zat er namens de vrijwilligers ook in het bestuur. Tevens is Oost voorzitter geweest van het Nivon (natuurvrienden) regio Noord (1988-1992).

Thuis in Selwerd, maakte Oost vanaf medio jaren zestig deel uit van bewonerscommissies. Hij kwam via zo’n commissie in de centrale ledenraad van de woningbouwvereniging Gruno, die hem in 1973 tot zijn voorzitter koos. In die rol steunde Oost het stadsvernieuwingsbeleid van het jonge, linkse stadsbestuur dat brak met de grootschalige sloopplannen van de oudere garde. Ook zette het Gruno-bestuur onder hem veel meer in op jongerenhuisvesting. Tijdens zijn voorzitterschap kwam het eerste complex woningen voor gehandicapten tot stand (1983). Uiteindelijk begroette Oost de schaalvergroting die de fusie van Gruno met een andere corporatie betekende. Hij legde zijn voorzitterschap in 1994 neer.

In de na-oorlogse jaren was Iene Oost kaderlid van de socialistische jongerenclub AJC (Arbeiders Jeugd Centrale). Vanaf de oprichting in 1946 was hij ook actief lid van de PvdA. Tussen 1979 en 1992 zat hij voor die partij in de Provinciale Staten. In de eerste termijn was hij voorzitter van de commissie bestuurszaken. Het woord voerde hij vooral over de rechtspositie van ambtenaren.

Verder was Oost van 1992 tot 1999 de onafhankelijke voorzitter van de Ouderenraad, een adviesorgaan dat de gemeente adviseert over ouderenbeleid. Ook van de Senioren Zomerschool, die lezingen en excursies organiseerde, was hij voorzitter (vanaf 1993).

Iene Oost gold als een ouderwetse, idealistische sociaaldemocraat, streng, maar wel ruimte gevend aan vernieuwing. Hij was emotioneel betrokken bij wat hij deed, maar beoordeelde mensen vooral op hun bedoelingen.

Bronnen: Een reeks krantenartikelen, vooral Nieuwsblad van het Noorden d.d. 14.9.1925, 28.8.1961, 18.1.1974, 15.1.1975, 12.12.1977, 26.5 en 28.9.1979, 11.3 en 24.9.1980, 23.5 en 5.6.1981, 23.2, 1.5 en 14.9.1982, 2.6.1983, 6.1.1984, 29.4 en 2.11.1985, 14.12.1989, 4.9.1991, 19.3.1994, 27.8.1998, 5.4.1995 en 8.5.2010; gemeentelijke dienst OSW archief 1.844.23 (Ouderenraad) doos 0250 en 0251 aug. 1992-2000; gesprekken met Bart Noordewier en Bert Oost.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Evert Gerrit Yspeert

Evert Yspeert. Foto: Bureau Voorlichting gemeente Groningen. Collectie RHC Groninger Archieven 2290-7906Evert Yspeert (Enschede 1925 – Groningen 2004) kwam uit een hervormd gezin te Enschede. Zijn vader was postbode. Na het lyceum studeerde Yspeert rechten in Groningen (1945-1949). Hij was lid van de calvinistische studentenvereniging VERA en hier onder meer preses van zijn jaarclub en een dispuut en lid van reglements- en lustrumcommissies.

In 1950 werd hij advocaat en procureur bij het kantoor van de gerenommeerde Maurits Levie. In 1956 begon hij voor zichzelf, om tot 2002 voor zijn maatschap actief te blijven. Hij deed zowel civiele zaken als strafzaken en trad ook op als curator. Bekende cliënten van hem waren scheepswerf Kerstholt, busmaatschappij GADO, horecaman Sjoerd Kooistra en oud-FC Groningen-voorzitter Renze de Vries. Daarnaast vervulde Yspeert diverse functies bij de Orde van Advocaten.

In 1954 werd Yspeert lid van de Christelijk Historische Unie. Hij koos voor deze partij en niet voor de antirevolutionaire, om de wat minder doctrinaire sfeer. Al in 1956 was hij voorzitter van de lokale CH-kiesvereniging en hij kwam in 1958 in de gemeenteraad. In 1962 werd hij CHU-lijsttrekker – sindsdien sprak hij in de raad regelmatig namens de Samenwerkende Christelijke Fracties (SCF), die uiteindelijk opgingen in het CDA, waarvan hij de eerste fractievoorzitter werd.

Als raadslid adviseerde Yspeert vaak over verordeningen en reglementen. Onder zijn aanvoering stemde de christelijke fractie tegen subsidie voor een consultatiebureau huwelijk en gezin (1966) en een naaktstrand bij de Hoornseplas (1977). Ook was ze voor schaalvergroting in de binnenstad (1964-1970). Met de politisering van het raadsdebat had Yspeert grote moeite. Hij was mede-indiener van de motie van wantrouwen die de weg opende naar een links programcollege. Als grootste oppositiepartij was het CDA tegen het verkeerscirculatieplan (1977).

Yspeert zat rechts in het CDA en pleitte tegen overmatig overheidsingrijpen. Vanaf 1977 groeide de kritiek op zijn optreden door partijleden die de fractie een socialer profiel wilden geven. In 1981 moest hij het rustiger aan gaan doen en in 1982 nam hij afscheid als raadslid.

Vanuit de raad was Yspeert lid van de commissie beroepschriften bijstandswet, bestuurslid van het Meerschap Paterswolde en gedelegeerd schoolbestuurder. In het onderwijs had hij meerdere bestuursfuncties. Vooral die van de School voor Slechthorenden lag na aan zijn hart. Verder was hij bestuurder van het Willem Lodewijkgymnasium (1956-1985), een Tehuis voor Daklozen, de Commercieele Club en het Buro voor Rechtshulp. Als sportschutter en jager bekleedde hij vele bestuursfuncties bij schiet- en jagersverenigingen en hun bonden.

Evert Yspeert was een energieke, aimabele, erudiete, welbespraakte en geestige, maar ook wel eigenwijze man met een fenomenaal geheugen.

Bronnen: Een lange reeks van artikelen in het Nieuwsblad van het Noorden, m.n. d.d. 21.9.1959, 11.12.1962, 28.4.1971, 5.9.1972, 29.3.1977, 25.10.1977, 13.2.1981, 23.8 en 30.8.1982, 29.10.1985, 15.2.1990, 11.10.2000, 13.11.1993, 17.5 en 20.5 en 22.5.2004; Groninger Archieven Toegang 1082 archief ssr VERA inv. nr. 34; In Memoriam en historie op website Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Hessel Willem Bijlsma

Hessel Bijlsma. Fotograaf onbekend. Collectie RHC Groninger Archieven 1785-23680Hessel Bijlsma (Leeuwarden 1932 – Groningen 2010) groeide op in een apolitiek arbeidersmilieu. In 1949 haalde hij het diploma MULO-A en in 1952 dat van de vijfjarige Middelbare Handelsavondschool.

Tijdens zijn militaire dienst (1954) bezocht hij een 1 Mei-bijeenkomst van de PvdA, wat tegen het zere been van zijn superieuren was. Voor hem een reden om op termijn lid van deze partij te worden. Dat was toen hij vanwege zijn werk bij de DETAM, de bedrijfsvereniging voor detailhandel en ambachten, naar Hoogkerk verhuisde (1958). Om een sociaal netwerk op te bouwen werd hij hier lid van de voetbalvereniging VVH, die hem in 1960 vroeg om haar voorzitter te worden. Deze functie heeft Bijlsma tot 1975 uitgeoefend.

Bijlsma kwam in 1962 voor de PvdA in de gemeenteraad van Hoogkerk. Met de gehele raad verzette hij zich hevig tegen de annexatie van de gemeente Hoogkerk door de stad Groningen. Zo overlegde Bijlsma urenlang met PvdA-leider Den Uyl, wat niet mocht baten: de annexatie kreeg in 1969 haar beslag.

Van 1970 tot 1990 was Bijlsma vervolgens lid van de gemeenteraad van Groningen, eveneens namens de PvdA. Hij trad hier vooral op als woordvoerder sociale zaken. Zo pleitte hij in 1977 tegen de komst van sociale rechercheurs en in 1983 tegen de afschaffing van de sollicitatieplicht voor bijstandsgerechtigden. Ook maakte hij zich sterk voor werkgelegenheidsprojecten voor jongeren die door de toenmalige recessie moeilijk aan werk kwamen.

Bijlsma behoorde in de raad tot de ‘Hoogkerker maffia’. Met andere raadsleden uit het suikerdorp zorgde hij voor nieuwe huisvesting van het dorpshuis, het behoud van het zwembad, een rondweg voor bietenwagens, goede busverbindingen en de aanleg van het Minerva-park. Naar eigen zeggen werd Bijlsma eens gepolst voor een wethouderschap, maar voelde hij daar weinig voor wegens het risico om aan de dijk gezet te worden en dan werkloos te zijn.

Na zijn pensionering was Bijlsma nog jarenlang voorzitter van de Vereniging Wijkopbouw Hoogkerk (VWH) en de ANBO-afdeling Groningen. Hij wist dankzij zijn contacten in het stadhuis te bewerkstelligen dat Hoogkerk een Vensterschool met annex een sporthal en nieuwe sportvelden kreeg. Bij de ANBO stond hij in 2000 aan de basis van een vergaande samenwerking met de twee confessionele ouderenbonden.

Hessel Bijlsma was een sociaal bewogen man, maar ook een binnenvetter, die dingen liefst zo zakelijk mogelijk zonder veel uiterlijk vertoon probeerde af te handelen. In de Groninger gemeenteraad trad hij op als een heer. Ook in de hoogtijdagen van de slobbertrui kwam hij altijd naar de vergaderingen in een net pak met stropdas.

Bronnen: Leeuwarder Courant, Nieuwsblad en het Dagblad van het Noorden, een reeks artikelen, met name die van 14.5.1982, en 7.2, 26.3 en 20.4.2002. Verder vooral het ‘In Memoriam’ in het Hoogkerker blad Westerkrant van 13.7.2010.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Anna Maria Tak - Knuit

Annie Tak (Groningen 1935), de dochter van een loopknecht, woont vanaf haar derde levensjaar in de Oosterparkwijk, een wijk die ze nooit heeft willen verlaten.

Na de lagere school genoot ze slechts anderhalf jaar vervolgonderwijs. Ze werkte voor een modezaak als naaister die overhemden op maat bracht. Na haar huwelijk werd ze vrijwilliger op de kleuter- en de lagere school van haar twee zoons, maar ze was ook actief voor de speeltuinvereniging in de buurt.

Omstreeks 1974 nam ze zitting in de bewonerscommissie die zich inzette voor de renovatie van de wijk. Zo leerde ze hoe ze moest omgaan met sceptische buurtgenoten en mensen van de gemeente en woningbouwcorporaties. In 1980 was ze al eens de woordvoerder van de actieve bewoners, en nam ze symbolisch speelvoorzieningen in ontvangst van een corporatie. Bij de Vereniging Wijk Opbouw Oosterpark (VWOO) bekleedde ze naderhand alle bestuursfuncties. Was ze rond 1990 penningmeester en secretaris, in elk geval van 1998 tot eind 2004 trad ze op als voorzitter van deze club. Juist in die periode speelden de verbetering van de na-oorlogse woningvoorraad en de Oosterparkwijkrellen met hun nasleep, waarbij er een enorm beroep op de inzet van het buurtkader werd gedaan. Niet alleen bemoeide Annie zich met stenen en groen, ze zat ook jarenlang in de redactie van de wijkkrant, die ze ook wel helemaal alleen heeft samengesteld, gebrocheerd en rondgebracht.

Ze hield van de Oosterparkwijk met zijn saamhorigheid, daar putte ze haar motivatie uit. Vanwege haar buurtwerk bleef ze ook bewust partijloos. Maar als men aan haar wijk kwam, zoals na de oudejaarsrellen van 1997, dan zei ze welbespraakt waar het op stond. Zo moesten de ME'ers die destijds niet op tijd naar de Oosterparkwijk konden komen, volgens haar maar naar de toneelschool: “Want daar leer je je heel snel omkleden”. Toch kon je haar ook weer niet betichten van fanatisme, want vaak nam ze een bemiddelende positie in tussen de bewoners en de instanties.

Van eretitels als “moeder van de Oosterparkwijk” moest ze weinig hebben. Ontegenzeggelijk genoot ze binnen en buiten haar wijk veel respect. Eind 2004 nam ze, gedwongen door een oogziekte, afscheid van haar vrijwilligerswerk. Ze werd ter gelegenheid daarvan ereburger van de stad. Ook kwam er een leefbaarheidsfonds met haar naam, voor de financiering van projecten die de woonomgeving in de Oosterparkwijk prettiger moeten maken. Voor haar vormde dit “het mooiste cadeau wat ik ooit kreeg voor de wijk”.

Bronnen: Summiere biografie op website Annie Tak leefbaarheidsfonds; ettelijke krantenartikelen, vooral Nieuwsblad van het Noorden 1.12.1980, 28.1.1983, 9.5.1998, 24.2.1999, 29.4.1999; Dagblad van het Noorden 28.12.2002, 19.2.2003 en 16.11.2004.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Dirk Johan Leutscher

Dick Leutscher (Groningen 1931 –Groningen 2013) kwam uit een links middenstandsmilieu. Zijn vader was slager, zijn moeder onderwijzeres. Leutscher jr. ging naar het gymnasium, maar stapte in de vierde klas over naar het muziekonderwijs. In 1952 haalde hij in Den Haag het staatsdiploma piano. Medio jaren vijftig volgde hij enige zomercursussen in onder meer Darmstadt, destijds het mekka van de avant garde muziek, waar hij kennis maakte met componisten als Stockhausen, Cage en Schat.

In 1952 vestigde Leutscher zich als pianoleraar in Groningen. Vanaf 1954 was hij hier docent aan de gemeentelijke muziekschool, en vanaf 1958 aan het nieuwe gemeentelijke muzieklyceum dat opleidde voor rijksdiploma’s. Toen men dit lyceum in 1966 opwaardeerde tot conservatorium, werd Leutscher ook hier docent, wat hij tot zijn pensioen in 1993 zou blijven.

Naast docent was Leutscher uitvoerend musicus en dan vooral begeleider van solisten. Zeer bekend is zijn samenwerking (1958- ca. 1995) met de sopraan Grethe de Vink, zijn collega op het conservatorium. Incidenteel werkte hij mee aan concerten van het Noordelijk Filharmonisch orkest, maar zijn voorkeur ging toch uit naar kamermuziek. Waar er samengewerkt werd, was Leutscher gewoonlijk degene die het repertoire uitzocht. Vaak ging het om eigentijdse en nog onbekende stukken. Maar Leutscher was niet eenkennig, want hij speelde bijvoorbeeld ook wel salonrepertoire. Hoe dan ook waren de kritieken doorgaans lovend.

Leutscher was altijd breed actief in de cultuur. Zo spoorde hij in de jaren zestig repertoire op voor het Rotterdams Toneel en Toneelgroep Centrum. Ook adviseerde hij de Arbeiderspers over uit te geven titels. In de jaren negentig gaf hij divers werk van Hendrik de Vries uit, onder andere diens verzamelde gedichten. Qua beeldende kunst was hij rond 1960 betrokken bij de Fluxus-beweging. Van De Vries’ en Theo van Baarens beeldende werk verzorgde hij exposities.

De brede culturele interesse blijkt eveneens uit bestuurslidmaatschappen van o.a. de gemeentelijke Culturele Raad, stichting De Ploeg, stichting Hendrik de Vries en het Beringer-Hazewinkel Fonds.

Door zijn enthousiasme voor cultuur raakte Leutscher politiek geëngageerd. Vanaf 1966 liep hij vooraan in de vergeefse acties voor behoud van concertgebouw de Harmonie. Ook was hij woordvoerder van een studiegroep die opkwam voor de bestaande binnenstad. Als “overtuigd marxist” werd hij rond 1970 lid van de PvdA, die hij sindsdien als een soort interne horzel bestookte vanwege allerlei beleidsvoornemens. Over politiek en cultuur schreef hij opiniestukken in diverse dag- en weekbladen.

Dick Leutscher was een bevlogen, erudiete, strijdvaardige èn genereuze man, die ondanks zijn goede bedoelingen ook wel eens als erg flamboyant, lastig en ijdel werd ervaren.

Bronnen: Nieuwsblad en Dagblad van het Noorden, honderden artikelen m.n. 25.9.2006, 21.10.2006 en 11.7.2013. Gesprek met Klaas Swaak op 10.7.2013.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Hendrik Johan Lubert Vonhoff

Henk VonhoffHenk Vonhoff (Amsterdam 1931 – Hilversum 2010) was de zoon van een belastingambtenaar en accountant. Vonhoff jr. studeerde na de HBS-A geschiedenis aan een lerarenopleiding in Amsterdam en werd in 1958 geschiedenisleraar aan een HBS aldaar.

Van jongs af aan was hij liberaal. Op zijn vijftiende al aspirant-lid van de toenmalige Partij van de Vrijheid (PvdV), werd hij, toen deze partij opging in de VVD (1948), daar meteen actief lid van. Als student zat hij in het bestuur van de VVD-afdeling Amsterdam en als geschiedenisleraar was hij hiervan de secretaris. In 1963 kwam hij in het landelijke dagelijks bestuur van de VVD als secretaris voorlichting. Daarnaast was hij destijds bestuurslid van de Consumentenbond.

In 1967 werd Vonhoff lid van de Tweede Kamer en VVD-woordvoerder onderwijs, defensiepersoneel en mediabeleid. Hij gold destijds als een progressieve VVD-er. Vanaf 1971 was hij drie jaar staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Opvallend is dat hij als oud-NJN-er (Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie) het een en ander deed voor natuurbehoud.

Uiteindelijk prefereerde hij bestuurlijke functies. In 1974 verliet hij de Haagse politiek om burgemeester van Utrecht te worden en in 1980 werd hij commissaris van de Koningin in Groningen. De Provinciale Staten waren hier op dat moment sterk gepolariseerd. Hoewel niet alle statenleden gelukkig waren met een VVD’er als Commissaris, gold de weerzin zeker niet Vonhoff als persoon. Alleen in buitenparlementaire kringen was dat anders. Bij de installatie van Vonhoff wierp een kraker een verfbom op zijn pak.

Hoewel Vonhoff van oorsprong geen Groninger was, zette hij zich met hart en ziel in voor de provincie. Zijn grootste succes als commissaris was de verhuizing van de PTT-directie naar Groningen. Hiervoor bracht hij een sterke noordelijke VVD-lobbygroep bijeen. Haagse VVD’ers, minister Kroes voorop, zagen echter niets in het plan. Vonhoff ging een ruzie niet uit de weg en zette alles op alles om het hoofdkantoor naar Groningen te krijgen. In 1986 weigerde hij zelfs de functie van minister van Defensie, omdat hij voorzag dat de PTT-verhuizing dan niet doorging.

Niet altijd kreeg Vonhoff de handen op elkaar. Met zijn collega van Friesland, Hans Wiegel, sloot hij in 1989 het ‘Herenakkoord’: Groningen kreeg toen de kunstopleidingen en Friesland de lerarenopleiding en de hogere landbouwschool.

Na zijn pensioen in 1996 vertrok Henk Vonhoff naar Hilversum om dichterbij zijn kinderen te wonen.. Hij was toen nog bijzonder hoogleraar arbeidsvoorwaardenbeleid in Rotterdam en vervulde nog vele bestuursfuncties, zoals voorzitter van de Herinrichtingscommissie van de Gronings-Drentse Veenkoloniën en commissaris van de Eredivisie N.V.

Bronnen: Biografie op Parlement.com; biografie op Wikipedia; in memoriam op Nu.nl (2010); necrologie NRC Handelsblad (2010), necrologie Geschiedenis24; Nieuwsblad van het Noorden 1.3.1986 en 15.6.1996; Dagblad van het Noorden 27.7.2010.

Bekijk pagina 1 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 2 in het Gulden Boek

Bekijk pagina 3 in het Gulden Boek

Johannes Gerardus Maria Alders

Foto Hans AldersHans Alders (Nijmegen 1952) komt uit een katholiek arbeidersnest. Zijn vader werkte als zeepproever bij de zeepfabriek van Dobbelman.

Alders ging enkele jaren naar het lyceum en de detailhandel school, maar werd daar voortijdig afgestuurd, naar eigen zeggen omdat hij een leerlingenraad oprichtte. Later volgde hij taalcursussen.

Hij begon zijn werkzame leven als assistent bij een uitzendbureau (1970-1976). In 1972 werd hij als links idealist lid van de PvdA. In 1976 stelde de Nijmeegse raadsfractie hem aan als betaald assistent. Weldra kreeg hij veel invloed en in 1978 werd hij lid van de Gelderse Staten, meteen als fractievoorzitter, en van de PvdA –partijraad.

Idealisme maakte zodoende plaats voor realisme. In 1982 gekozen als Tweede Kamerlid, werd hij fractiespecialist binnenlandse zaken en (vice)fractiesecretaris. Hij voerde vooral het woord over ambtenarenzaken, de verzelfstandiging van de PTT en haar personele consequenties, ruimtelijke ordening en het midden- en kleinbedrijf.

Als vertrouweling van Wim Kok werd Alders in 1989 minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Mede op zijn conto staan o.m. de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex, 1990), twee Nationale Milieubeleidsplannen-plus (1990, 1993) en een Nota Klimaatsverandering (1991). Wetgeving en convenanten regelden vervolgens de uitvoering. Verder was Alders medeverantwoordelijk voor het besluit tot aanleg van de Betuwelijn en meerdere Wetten Geluidhinder, m.n. rond luchthavens.

Hoewel in 1994 zevende op de PvdA-lijst, nam hij niet opnieuw zitting in de Kamer, maar werd in Genève Europees directeur van het United Nations Environment Program. In 1996 benoemde het kabinet hem tot Commissaris van de Koningin in Groningen. Vooral op de rechterflank van de provinciale politiek was men niet blij met komst van het “milieumannetje”, maar dat zou wel bijtrekken. Alders kwam gedreven op voor de provincie, vooral zijn pleidooi voor de Zuiderzeepspoorlijn als magneetzweefbaan is nog bekend. Tijdens zijn periode als CdK raakte hij verknocht aan Groningen. Wel was er veel kritiek op zijn vele nevenfuncties, onder andere andere bij het Pensioenfonds Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (PGGM) en de Gasunie, waarmee hij zijn inkomen als commissaris zo’n beetje verdubbelde.

In 2007 trad Alders af als CdK, maar bleef in Groningen wonen. Sindsdien is hij actief in vele voorzitterschappen, zoals van EnergieNed, het Pensioenfonds Zorg en Welzijn, en de Raden van Toezicht van de RUG, het UMCG en het Groninger Forum. Veelal betreft het gremia met een milieu-aspect. Overigens is zijn optreden hierin niet altijd onomstreden.

Alders staat bekend als aimabel, vrolijk, bevlogen en energiek. Hij is een goede luisteraar en oprecht geïnteresseerd in mensen. Schrijven echter, is niet zijn fort.

Bronnen: Biografie op Parlement.com; Trouw 4.6.1996; Nieuwsblad van het Noorden 24.11.2007; Volkskrant 18.12.2012 (Bert Wagendorp).

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Jacques Wallage

Burgemeester Jacques WallageJacques Wallage (Apeldoorn 1946) komt uit een joods middenstandsmilieu. Hij groeide op in Groningen. Op de middelbare school – eerst de Wester ULO, daarna de Dalton HBS – bloeide hij op in leerlingenclubs, waarvoor hij onder meer reisjes organiseerde.

Van 1965-1971 studeerde Wallage sociologie aan de RUG. Twee maal was hij voorzitter van de Groninger Studentenraad (Gronstra) en bepleitte vergaande openbaarheid van bestuur, naast medezeggenschap van studenten. Op zijn 18e al lid van de PvdA, zat hij twee jaar later in het afdelingsbestuur, en was rond 1970 twee jaar assistent van het PvdA-kamerlid Wierenga. Als lid van de gemeentelijke Stedenbouwkundige Adviesraad (1968-1970) deed hij van zich spreken door zijn eis dat de vergaderingen openbaar moesten zijn, om de kenniskloof tussen bestuurders en bewoners te dichten. Niet iedereen was daar al aan toe.

Wallage werkte kort als wetenschappelijk medewerker planologie bij de RUG (1971-1972)waar hij wilde promoveren op de ontwikkeling van de binnenstad. Een jaar eerder was hij, na een coup door partijjongeren, raadslid geworden en fractievoorzitter. Ook in die functie bepleitte hij openbaarheid, bijvoorbeeld van de raadscommissies, en democratisering, vooral in het onderwijs. Ook verzette hij zich tegen verkeersdoorbraken en de sloop van woningen.

Na een bestuurscrisis (1972) werd Wallage wethouder van onderwijs en cultuur in een links meerderheidscollege. Hij bleef openbaarheid, democratisering en emancipatie van kansarmen nastreven en zette vele vernieuwingen in, zoals Middenschool en ouderparticipatie. Ook probeerde hij de drempel tussen schoolsoorten te slechten. In 1975 verruilde hij cultuur voor verkeer, en legde de basis voor het verkeerscirculatieplan (1977), dat de binnenstad veel autoluwer maakte.

In 1981 stapte Wallage over naar de Kamer, en werd er PvdA-onderwijswoordvoerder. In 1989 kwam hij in het kabinet als staatssecretaris onderwijs. In deze rol zorgde hij voor wetten op de basisvorming en en op de vermindering van onderwijsachterstanden. Vanaf 1993 staatssecretaris voor Sociale Zaken, drong hij het beroep op uitkeringen terug. Vanaf 1994 leidde hij de Tweede Kamerfractie en kwam fel op voor multicultureel Nederland.

Van 1998 tot 2009 was Wallage vervolgens de zeer toegankelijke burgemeester van Groningen. Hij zette zich in voor een respectvolle behandeling van burgers door ambtenaren, was teamleider voor de colleges en zorgde dat de stad goed over het voetlicht kwam.

Sinds zijn burgemeesterschap is Wallage onder meer voorzitter van de Raad voor het Openbaar Bestuur, en tevens bijzonder hoogleraar Integratie en Openbaar Bestuur. Als men hem eigenschappen toedicht, dan zijn dat deze: sociaal, weloverwogen, spreekvaardig, zelfbewust, ambitieus, blijmoedig, een tikje ijdel, maar zéér benaderbaar.

Bronnen: Biografie op Parlement.com; item over tien jaar burgemeesterschap op TV Noord; Beno Hofman, De Groninger burgemeesters (Assen 2009) 77-79 + cd; vooral voor de jaren zestig en zeventig zeer veel krantenartikelen uit het Nieuwsblad van het Noorden, m.n. d.d. 14.9.1967, 11 en 12.3.1969, 13.5.1969, 8.7 en 9/7 en 18.9.1969, 22.12.1969, 5 en 15.9.1970, 17.5.1972, 27.11.1973, 25.4.1979; Dagblad van het Noorden 26.6.2008 en 5.12.2008.

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Max van den Berg

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Ben Feringa

 

Freerk van der Heide

Bekijk de pagina in het Gulden Boek

Freerk van der Heide