U bent hier

Toespraak burgemeester Koen Schuiling bij Holocaustherdenking

Avinu Malkeinu, shma koleinu

Heer Onze Vader, hoor ons gebed

“Langzaam liep ik naar de halte. Ik had al gezien dat er nog geen tram gereed stond. Maar er was er intussen een van de andere kant gekomen. Ik bleef staan om te kijken naar de mensen die uitstapten, alsof ik op iemand wachtte. Iemand met een vertrouwd gezicht, vlak voor het mijne. Maar ik miste het geloof van mijn oom. Ze zouden nooit terugkomen, mijn vader niet, mijn moeder niet, Bettie niet, noch Dave en Lotte.”

Zo eindigt Marga Minco’s boek Het Bittere Kruid. “Een kleine kroniek”, luidt de ondertitel. Marga Minco ziet af van het gebruik van grote woorden, zoals in haar beschrijving van die avond aan het einde van een zachte voorjaarsdag. De bel ging. “Het was even voor negenen. We bleven zitten en keken elkaar verbaasd aan. Alsof we ons afvroegen: Wie zou daar zijn? Alsof we het niet wisten! Het kan net zo goed een kennis wezen, die op visite komt! Het was immers nog vroeg in de avond en de thee stond klaar.” Zo werden haar ouders in hun huis aan de Sarphatistraat opgepakt. Om nooit meer terug te keren.

Afgelopen maandag was het 78 jaar geleden dat in een villa aan de oevers van de Berlijnse Wannsee de bespreking plaatsvond die moest leiden tot het oplossen van wat het ‘Jodenvraagstuk’ werd genoemd. Die bespreking was de Wannsee Conferentie van 20 januari 1942. De uitnodiging kwam van Reinhard Heydrich. De notulen werden gemaakt door Adolf Eichmann.

De deelnemers kwamen met elkaar overeen – er was sprake van een opvallende eensgezindheid, de bijeenkomst aan de Wannsee duurde minder dan twee uur – dat elf miljoen Europese Joden in aanmerking kwamen voor wat bedrieglijk eufemistisch de Evacuatie heette.  

Op pagina 6 notuleerde Eichmann keurig per land om hoeveel Joodse inwoners het gaat. België 43.000. Denemarken 5.600. Griekenland 69.600. Nederland 160.800. Noorwegen 1.300. Hongarije 742.800. Enzovoort. Enzovoort. Dan een streep: Totaal: meer dan 11.000.000.    

Morgen – 27 januari 2020 – is het 75 jaar geleden dat het Rode Leger het Duitse concentratie- en vernietigingskamp kamp Auschwitz-Birkenau bevrijdde. Nu ligt daar de steen die alle vermoorde Joodse Nederlanders herdenkt: 102.000 in getal. 102.000 keer om te zeggen “Dat nooit weer”.  Maar, als we zeggen “Dat nooit weer...” weten we dan wat we eigenlijk zeggen en bedoelen?

Ik wenste dit: dat we afspreken dat we eens over die vraag nadenken en er naar gaan leven? Dat we blijven denken aan al onze dierbaren die hun einde vonden als gevolg van een ideologie die berustte op het uitsluiten, oppakken en vermoorden. Op het ontmenselijken van de mens: slachtoffers, daders, meelopers, jong en oud. Zonder aanziens des persoons.  

De poging van de nazi’s hele volken te vernietigen is erfgoed geworden dat onze cultuur en ons mensbeeld drastisch heeft gewijzigd.  Was het niet de dichter Lucebert die dit ons voorhield “in deze tijd heeft wat men altijd noemde/ schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand/zij troost niet meer de mensen”.

We noemen hun namen. Zo pogen we onze menselijkheid weer vorm te geven. 102.000 vermoorde Joodse Nederlanders en Sinti en Roma. 102.000 keer een echtgenoot, een man, een vrouw, een kind, een kleinkind, een broer, een zus, een neef, een nicht, een oom, een tante …

We noemen een naam. We geven hen een gezicht. Ogen. We kijken elkaar weer aan. Ze waren van ons, ze waren bij ons, wij waren het zelf. Met het noemen van hun namen zijn ze even, heel even weer bij ons, maken voor even weer deel uit van ons dagelijks leven. Over hun dood heen verbinden we ons weer met hen. Zijn ze weer mens.

Verbonden met Anny Aa, geboren in Amsterdam op 11 september 1941 en nog geen twee jaar vermoord in Sobibor op 2 juli 1943. Zij werd woensdag bij het Lezen van de 102.000 Namen als eerste bij naam genoemd. Morgenmiddag zal Heinrich Zysmanowicz, geboren in Duisburg op 10 oktober 1922 en vermoord in Auschwitz op 30 september 1942, negentien jaar, als laatste genoemd worden.

Ieder mens heeft een naam

hem gegeven door God

en door zijn vader en moeder.

Ieder mens heeft een naam

hem gegeven door de zee

en hem gegeven door zijn dood.

(Zelda, Israëlisch dichteres, 1914-1984, motto van het boek De 102.000 Namen, waarin de 102.000 namen van de vermoorde Nederlandse Joodse burgers vermeld staan)

Het noemen van namen, het leggen van Stolpersteinen, de 102.000 steentjes in Westerbork, het tijdelijk monument Levenslicht van Daan Roosegaarde hier in de synagoge, straks het nationale Namenmonument in Amsterdam. Allemaal bedoeld om het vergeten tegen te gaan.

Heel in het bijzonder noem ik op deze plek het boek van onze stadgenoot Johan van Gelder. Met De vernietiging, Ieder mens heeft een naam heeft Johan van Gelder ons laten zien wie we herdenken. Hun afwezigheid heeft een gat geslagen in onze samenleving. Het enige wat we nog van hen hebben, is hun naam. Een graf is hen ontzegd. Met zijn boek geeft Johan van Gelder de slachtoffers hun naam en hun identiteit terug.  

‘Dat nooit weer’. Maar, wil het meer zijn dan woorden dan moeten we in onze dagelijks levens daar ook naar handelen. We zullen keer op keer voor onszelf moeten nagaan, moeten overdenken welke de lessen zijn die wij trekken uit de persoonlijke verhalen van hen die de oorlog overleefden en van hen die niet meer terugkeerden. Alleen zo kunnen wij boven de ontmenselijking uitstijgen. Opdat wij niet zwichten voor de tirannie. Opdat wij niet weer ons lijf en goed verliezen.

‘Dat nooit weer’ legt de verbinding tussen verleden en toekomst. Het roept ons op onze menselijkheid niet op te geven. Door te beseffen dat we wel degelijk zelf keuzes kunnen maken. Dat het niet door anderen bedachte systemen zijn die ons keuzes opdringen. Dat ieder individu het verschil kan maken en, zoals we hebben gezien, verschil moet maken. Dan begint het licht te branden.

Hier op deze plek, in de synagoge, hier in de Folkingestraat wordt eens te meer duidelijk wat er gebeurd is. We voelen het hier: de Joodse Groningers zijn er niet meer. Allen zijn opgepakt, weggevoerd naar Westerbork en vandaar afgevoerd naar de concentratiekampen. Ze hebben een naam achtergelaten en leven, generaties verder, voort in de verhalen.

De historicus Stefan van der Poel sluit zijn boek ‘Joodse Stadjers’ (2004) als volgt af: “De oorlog betekende vrijwel het einde van joods leven in de stad Groningen. Van de ruim 2800 joden die er in 1941 nog woonden, overleefden slechts enkele honderden de oorlog. Van deze overlevenden verliet een groot deel binnen enkele jaren het land.”

De synagoge, eens het middelpunt van joods Groningen, was verwaarloosd en leeggeplunderd. Bovenal was er de stilte: geen luidruchtige verkopers die hun spullen aanprezen, geen beesten op weg naar de slagers – zoals slager Gosschalk waar mijn opa werkte en waar mijn moeder is geboren - geen poeliers of kleermakers, geen ‘galletjes’ bij bakker Hildesheim.

De Folkingestraat als Joodse straat bestond niet meer. Het leek zelfs alsof er nooit Joden in Groningen hadden geleefd. ‘De golven hebben zich boven hun hoofden gesloten.’ Het verlies van zo veel Stadjers heeft tot op de dag van vandaag een blijvende leegte in onze stad veroorzaakt. Dat voelen we, generaties verder, nog steeds.

Hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen? Hoe heeft deze tragedie kunnen gebeuren? Op 15 juli 1942, verliet het eerste transport kamp Westerbork met bestemming Auschwitz. Even tevoren - op 10 juli 1942 - vond in de stad Groningen het eerste transport van joodse mannen plaats. Het waren er 850: 600 uit de stad, de rest uit de provincie. In februari 1943 leefden er nauwelijks nog joden in de stad Groningen. In krap zeven maanden tijd – zeven maanden! - was de gehele joodse gemeenschap uit de stad Groningen verdwenen. 2850 Stadjers. Gedeporteerd. Opgepakt. Weggevoerd. Naar Westerbork, afgevoerd naar de concentratiekampen en daar vermoord.

Ik ben bang dat het antwoord op de vraag hoe het komt dat in de stad Groningen nagenoeg de gehele joodse bevolking is weggevoerd – dat er in heel Nederland 102.000 joodse mannen, vrouwen en kinderen de Duitse kampen niet hebben overleefd - zowel ontluisterend als beschamend is. We hebben het als gemeenschap niet voorkomen.

Het is in een aantal geval nog erger – daar waar de Duitse bezetters geholpen zijn door onze eigen ambtenaren en politieagenten. Het is deze in- en intrieste constatering die ons dwingt om onze doden, onze dierbaren, te blijven herdenken. Hun namen te noemen. Daarmee hun bestaan weer op te roepen. Hun gezichten te zien. Hen in de ogen te kijken als ze naar ons staren. En door die spiegeling zelfs generaties later te pogen niet aan die ontmenselijking van toen toe te geven. Niet weg te kijken en na te denken over de betekenis van de woorden “Dat nooit weer”.  

De systematische, planmatige, ambtelijk georkestreerde uitroeiing van de Europese joden – voorbereid in die Berlijnse villa aan de Wannsee - deze genocide, wordt vaak het onbeschrijflijke, het onvoorstelbare, het onzegbare genoemd. Toch moeten we er naar op zoek om het onder woorden te brengen. Schrijvers, dichters, kunstenaars kunnen ons daarbij helpen.

2850 Joodse Stadjers keerden niet terug toen Groningen na 16 april 1945 de Bevrijding vierde. Maar hier, in de synagoge, eens het middelpunt van Joods Groningen in de Folkingestraat, heerste stilte. En in die stilte spreek ik nu. Met diepe schaamte dat het zover is gekomen. Ik gebruik geen grote woorden. Niemand die dat vraagt. Ik denk aan de verhalen van mijn opa en oma die zich hier, rondom deze plek, hebben afgespeeld. Tot die inktzwarte zomer van 1942.

De gesloten deur van kunstenaar Gert Sennema hier in de Folkingestraat tegenover de synagoge herinnert aan deze leegte: “Ik zou met man en macht de vrijheid vieren/ maar ’t feest schuilt achter een gebroken raam/ en achter deuren met een reeks van kieren/ achter het verdriet van een verloren naam.” 


Dames en Heren,

We kunnen onze geschiedenis niet overdoen of herstellen. Wel kunnen we de slachtoffers van de naziterreur blijvend herinneren, hun namen blijvend noemen.

Zoals die van Michel Velleman. Aan deze in Groningen geboren en in Sobibor vermoorde goochelaar met de artiestennaam Ben Ali Libi wijdde Willem Wilmink zijn beroemde gedicht. “Wie zo dikwijls een duif of een bloem had verstopt, /kon zichzelf niet verstoppen, toen er hard werd geklopt./Er stond al een overvalwagen klaar/voor Ben Ali Libi, de goochelaar.”

Wilminks gedicht confronteert ons met het lot van de Joodse Nederlanders tijdens de bezetting. Maar, het doet meer. Het waarschuwt ons ook. Het roept ons op alert en waakzaam te blijven. Voor schreeuwers, die ons een alternatief voor de democratie verkopen. Voor mensen die de waarden die ons mens maken ontkennen. Voor profeten die ons een paradijs beloven. Met uitsluiting van ongewenste groepen. Wij weten: dat is geen paradijs, maar de hel. Dat nooit weer.

Tegen het vergeten. We hebben met elkaar de opdracht de namen te blijven noemen van hen die nauwelijks een mensenleven geleden – hoe kortgeleden, eigenlijk - rechteloos zijn weggevoerd en vermoord. Hun namen gaan we niet verliezen. Want dan verliezen we onszelf.    

 “Waarom is deze nacht anders dan alle andere nachten en waarom eten wij ongezuurd brood en bittere kruiden …?”, is de telkens op Seideravond terugkerende vraag van de jonge Marga Minco.  “Dan verhaalde mijn vader op zangerige toon van de uittocht uit Egypte en aten wij het ongezuurde brood en het bittere kruid, opdat wij het nog zouden proeven – tot in lengte van jaren.”

Kol od balevav penima

Nefesj jehoedi homi’ja

Oelefa’aatee mizrach kadima

Ajien le Tsi’jon tsofi’ja

Od lo avda tikvatenoe

Zolang in het hart, van binnen,

Een Joodse ziel levendig is

en naar het Oosten, vooruit,

het oog naar Zion kijkt

is onze hoop nog niet verloren

(Uit: Hatikwa, de Hoop, het officiële volkslied van Israël)

Dat bittere kruid proeven wij allemaal. Het is de bittere herinnering aan de moord op onze Joodse medeburgers. Tot in lengte van jaren. 

Ik dank u voor uw aandacht.


Koen Schuiling

Burgemeester van Groningen