Historie
Historie van het begraven in Groningen
De geschiedenis van het begraven in Groningen
Tot omstreeks 1800 werd er in Groningen begraven in de kerken en op enkele kerkhoven, zoals Martinikerk(hof), Nieuwekerk(hof), A-kerk en op het Suyderkerkhof (waar nu de Pathé-bioscoop is). Het begraven in de kerken kwam toen meer onder druk te staan, vanwege allerlei wantoestanden. Ruimtegebrek, stank, begrafenissen terwijl er een kerkdienst werd gehouden en dergelijke leidden er toe, dat de overheid begraven in kerken wilde gaan verbieden. De kerkvoogdijen verzetten zich hier heftig tegen want het was hun voornaamste bron van inkomsten.
Napoleon en Willem I
Toen Napoleon in 1803 Nederland onder zijn gezag stelde verbood hij direct het begraven in kerken. In 1813 verdween Napoleon van het strijdtoneel en koning Willem Iiet het vervolgens weer toe. Toch kwam er meer weerstand tegen begraven in kerken, vooral onder aanvoering van geneeskundigen. Zij schreven epidemieën toe aan de onhygiënische wijze van begraven in kerken. Zo was er in 1826 in de stad Groningen een koortsepidemie. In dat jaar stierven ruim 2900 mensen, circa 10% van de gehele stadse bevolking!
Noorder- en Zuiderbegraafplaats
Theodorus van Swinderen (1784-1853), een invloedrijk man in Groningen (schoolopziener en professor), adviseerde het stadsbestuur in 1826 om ver buiten de stadspoort twee begraafplaatsen aan te leggen. Een jaar later werden de Noorder- en Zuiderbegraafplaats in gebruik genomen. Op aanwijzing van Van Swinderen werd de inrichting van beide begraafplaatsen sober en doelmatig, met zoveel mogelijk graven per hectare. Beide begraafplaatsen kregen een kaarsrecht hoofdpad met haaks daarop enkele rechte zijpaden. Niet zoals in Leeuwarden waar architect Roodbaard een begraafplaats had ontworpen in Engelse landschapstijl met veel groen, waterpartijen en slingerpaden.
Begraven in stad en kerken ter ziele
Inmiddels was ook koning Willem I er van doordrongen dat begraven in kerken niet meer kon. In juli 1827 werd bovendien besloten dat per 1829 in plaatsen met meer dan 1000 inwoners in de bebouwde kom niet meer begraven mocht worden. In Groningen werden alle kerkhoven inclusief het Suyderkerkhof gesloten.
Jodenkamp
De wet van 1829 had ook voor de joden in Groningen verstrekkende gevolgen. Toen de joden in de 17e en 18e eeuw zich in West-Europa vestigden moesten zij in Nederland hun doden ver buiten de steden begraven. Niet in Groningen: hier was de bevolking toleranter en de joden kregen in 1748 een eigen begraafplaats op de Ebbingedwinger, dus binnen de stadsmuur. De regeling uit 1829, die bepaalde dat er niet meer binnen de bebouwde kom begraven mocht worden, gold uiteraard ook voor de joden. Hun begraafplaats aan de Jodenkamp moesten zij sluiten. Er waren nog ongeveer 500 van de 1300 grafruimten vrij. De joden hebben toen een nieuwe begraafplaats gekregen op het noordelijke gedeelte van de Noorderbegraafplaats.
Selwerderhof
Omstreeks 1920 raakten de Noorder- en Zuiderbegraafplaats vol. In 1924 is de begraafplaats Esserveld in gebruik genomen. In 1937 zag het stadsbestuur in dat deze begraafplaats ook vol werd en ging men op zoek naar een nieuwe locatie voor een grote centrale begraafplaats, wat uiteindelijk Selwerderhof is geworden. Deze begraafplaats zou omstreeks 1943 klaar zijn, maar vanwege de oorlog kon Selwerderhof pas in 1949 in gebruik worden genomen. Daarom zijn er in 1943 en 1946 twee noodbegraafplaatsen tegenover Selwerderhof aangelegd, Klein Selwerderhof I en II.
Noorddijk en Hoogkerk
Op 1 januari 1969 werden de gemeenten Noorddijk en Hoogkerk bij Groningen gevoegd. De aanwezige begraafplaatsen werden toen opgenomen in de Groninger verordeningen.
Islamitische begraafplaats
In 1987 heeft wethouder Westerink de Islamitische begraafplaats op Selwerderhof officieel geopend.
De verschillende begraafplaatsen
De Groninger begraafplaatsen verschillen onderling in karakter en inrichting. De Noorder- en Zuiderbegraafplaats kennen weinig groen en krijgen door de hoge verdichting van grafmonumenten een stenen karakter. Beide begraafplaatsen zijn vooralsnog ook de enige begraafplaatsen in het verstedelijkte gebied: alle andere begraafplaatsen liggen nog steeds min of meer aan de rand van de stad. Esserveld en Selwerderhof, alsmede de oude begraafplaatsen in de buitengebieden hebben een meer parkachtig karakter, met veel groenaanleg. Begraafplaats zijn openbaar gebied en binnen de openingstijden toegankelijk voor het publiek. Het onderhoudsniveau van deze specifieke openbare ruimte is hoog en vergelijkbaar met andere openbare ruimten in de stad, zoals het Martinikerkhof. Het specifieke groenonderhoud is volledig in handen van de vakdirectie Openbare Werken, alleen het maaien van gazons is uitbesteed aan derden. Het onderhoud aan de graven wordt door de nabestaanden gedaan, maar kan ook worden uitbesteed aan de gemeente (via een afkoopsom of betaling van een jaarlijkse bijdrage). Opvallend is dat bij de Noorder en de Zuiderbegraafplaats driekwart van de grafbedekking door de familie zelf wordt onderhouden.
Van enkele begraafplaatsen zijn delen en bepaalde, bijzondere bijgebouwen aanwezig als (Rijks)monument, waaronder de dienstwoning Zuiderbegraafplaats en het grafmonument van industrieel Scholten. Inclusief het poortgebouw is de gehele begraafplaats Esserveld in 1994 aangewezen als rijksmonument.
Geen der Groningse begraafplaatsen is officieel gesloten: op bijna alle kan nog worden begraven. Er zijn echter grote verschillen per begraafplaats. Zo zijn er op Selwerderhof jaarlijks enkele honderden begrafenissen, terwijl op het algemene gedeelte van het kerkhofje in Leegkerk in geen dertig jaar een begrafenis heeft plaatsgevonden.

