Beleid en regelgeving van monumenten en archeologie

U bent hier: Home Beleid Beleid en regelgeving van monumenten en archeologie
Beleid en regelgeving van monumenten en archeologie
Document acties

Het hoofddoel van het gemeentelijk beleid ten aanzien van Monumenten en Archeologie is: instandhouding en zorgvuldig beheer van cultuurhistorisch erfgoed, zowel boven als onder het maaiveld. Als afgeleide daarvan streeft de gemeente naar de integratie van cultuurhistorische waarden in de ruimtelijke ordening.
Wanneer instandhouding niet mogelijk is, moeten archeologische en bouwhistorische sporen uit het verleden worden onderzocht en gedocumenteerd. Tot slot streeft de gemeente naar vergroting van draagvlak voor cultuurhistorie door de kennis hierover bij anderen te vergroten door middel van ontsluiting van gegevens via internet, publicaties, tentoonstellingen, lezingen en de organisatie van de jaarlijkse Open Monumenten Dag.


Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in de nota ‘Van ethiek naar strategie, derde nota monumenten Groningen’ (1995). In de nota wordt een beeld geschetst van de stand van zaken in 1995, een visie op de rol van de gemeentelijke monumentenzorg voor de toekomst gegeven en zes uitgangspunten voor het beleid geformuleerd. Deze punten, met hun uitwerking sinds die tijd, zijn:

1.    De vergroting van het aandachtsgebied

 

2.    De discussie over de wijze van restaureren

 

3.    Integratie met andere disciplines op het vlak van de ruimtelijke ordening

 

4.    Inbedding en verankering van onderzoek en documentatie

 

5.    De restauratieopgave: behoud en onderhoud

 

6.    Een strategischere inzet van financiële middelen

 

De vergroting van het aandachtsgebied

Tot 1990 waren monumentenzorg en archeologie vrijwel alleen gericht op de binnenstad. Daar kwam in 1994 verandering in door de voltooiing van de inventarisatie en selectie van architectuur en stedenbouw uit de jaren 1850 – 1940, waarmee ook de vooroorlogse wijken onderdeel van het werkveld van monumentenzorg werden. In 1996 kreeg monumenten en archeologie bij de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied een stevige greep op het landelijke gebied rond de stad, dat met name aan de noord- en westzijde cultuurhistorisch zeer waardevol is. In 2004 waren wijkbeschrijvingen van alle naoorlogse wijken gereed en werden 75 naoorlogse gebouwen en complexen aangewezen als gemeentelijk monument. In 2007 werd wetgeving van kracht, die bepaalt dat in alle bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden met archeologische waarden en verwachtingen in de bodem. In 2008 en 2009 worden in totaal ruim 300 extra gemeentelijke monumenten aangewezen. Het zijn bouwhistorisch waardevolle casco’s in de binnenstad (circa 150), boerderijen in het landelijke gebied (circa 30), gebouwen uit de periode 1850 – 1940 (circa 100) en archeologisch waardevolle terreinen (circa 20). In korte tijd is het aandachtsgebied voor monumenten en archeologie dus vergroot van de binnenstad tot het gehele gemeentelijke oppervlak.

De discussie over de wijze van restaureren

In de nota wordt aan de hand van een aantal voorbeelden uit het verleden getoond dat er verschillende manieren van restaureren zijn. Een onderwerp waarover de discussie ook vandaag nog niet is verstomd. Het beleid van de gemeente Groningen is enerzijds gericht op zorgvuldige instandhouding van oorspronkelijke vorm en materiaal: ‘behoud gaat voor vernieuwing’. Anderzijds moeten noodzakelijke wijzigingen en toevoegingen als zodanig herkenbaar worden vormgegeven. Onderzoek en documentatie van wat verdwijnt is daarbij een voorwaarde. Op deze uitgangspunten zijn een paar nuanceringen verwoord. Een en ander leidt ertoe dat het samenspel van de monumentale waarden, de functie, de wensen van de opdrachtgever en de kwaliteiten van de architect bij iedere aanvraag telkens opnieuw moet worden afgewogen. Het College van burgemeester en wethouders besluit over de vergunningaanvraag op grond van adviezen van de monumentencommissie, het ambtelijke advies, bedenkingen van derden en in een aantal gevallen de Rijksdienst.

Integratie met andere disciplines op het vlak van de ruimtelijke ordening

In 1995 is gesteld dat ‘monumentenzorg’ te lang zijn draagkracht alleen in eigen kring heeft  gezocht. Die kring was te klein en de daarin verkondigde meningen dikwijls te beperkt om het behoud van culturele waarden voldoende draagkracht en inhoud te geven. Juist door samenwerking met andere disciplines en initiatiefnemers en door te anticiperen op ruimtelijke en functionele ontwikkelingen kan behoud van historische waarden het best worden bevochten. Daarom is gestreefd naar:

  • integratie van monumenten en archeologie met andere disciplines op het vlak van ruimtelijke ordening. Dit wordt gerealiseerd door gemeentelijk intern vanuit Monumenten en Archeologie nauwer betrokken te zijn bij stedenbouwkundige en bestemmingsplannen.
  • het beter toegankelijk maken van bestaande inhoudelijke kennis en verbetering van voorlichting. Dit wordt gerealiseerd door de in deze website opgenomen Cultuurhistorische Waarden Kaart (CWK), waardoor zowel gemeentelijk intern, als via internet deze kennis en informatie voor iedereen beschikbaar is.
  • samenwerking met externen en belangenorganisaties. Dit is onder meer gerealiseerd bij de uitvoering van het gemeentelijke kanjerplan.
Inzet en ambitie hierbij zijn dat de ruimtelijk historische karakteristiek één van de criteria is waaraan getoetst moet worden bij (stedenbouwkundige) plannen. Dit krijgt vorm door monumenten en archeologie in het vroegste stadium bij het planproces te betrekken.

Inbedding en verankering van onderzoek en documentatie

In 1995 was archeologiewetgeving nog ver weg en bouwhistorie binnen de monumentenzorg een nog vrij onbekende discipline. Dat bouw- en bodemarchief dagelijks ongezien worden opgeruimd beseften toen weinigen. De inzet van de gemeente was en is, dat bij restauratie, bodemverstoring, verbouw- en sloopwerkzaamheden bouwhistorisch en archeologisch onderzoek een voorwaarde is om cultuurhistorie te mogen verstoren. Wetgeving op het gebied van archeologisch onderzoek is vanaf 2007 van kracht geworden. Bouwhistorisch onderzoek heeft in de gemeentelijke organisatie sinds 2000 structureel een plaats gekregen. In de nota ‘Toen voor straks’ (2000) heeft een en ander beleidsmatig zijn neerslag gekregen. Het publiek maken van de onderzoeksresultaten gebeurt bijna dagelijks in de krant, door middel van kleine tentoonstellingen, publicaties en lezingen en sinds 1996 door de jaarlijkse uitgave van Hervonden Stad, jaarboek voor archeologie, bouwhistorie en restauratie in de gemeente Groningen.

De restauratieopgave: behoud en onderhoud

De restauratiegolf in de jaren ’80 en begin ’90 van de vorige eeuw heeft het historische beeld van de binnenstad op diverse plaatsen met veel subsidie hersteld, maar dit ging vaak ten koste van het behoud van oorspronkelijk materiaal, dat daarbij zonder onderzoek en documentatie verloren ging. Sinds die tijd is het inzicht gegroeid dat monumentenzorg zich veel meer met instandhouding bezig moest gaan houden, dan met restauratie. Na 2000 drong dit inzicht ook geleidelijk aan door in rijksregelgeving. Daarnaast ontstond er door de uitbreiding van het aandachtsgebied van monumentenzorg naar de periode 1850 – 1940 een nieuwe werkvoorraad. 
In het gemeentelijke beleid is de nadruk steeds meer op instandhouding komen te liggen. De verantwoordelijkheid daarvoor ligt primair bij de eigenaar. De gemeente ondersteunt deze met deskundigheid en een bescheiden financiële ondersteuning. Ten behoeve van grote (problematische) monumentale gebouwen die dikwijls hun functie dreigden te verliezen is in 1996 een Gemeentelijk Kanjerplan gelanceerd. Het betrof naast de bekende kerken en pakhuizen, ook schoolgebouwen, RUG laboratoria, fabrieksgebouwen, watertorens en dergelijke, allen uit de periode 1850 – 1940. Van de ruim 80 in het kanjerplan opgenomen gebouwen zijn er inmiddels meer dan 50 hersteld en hebben waar nodig een nieuwe bestemming gekregen. De voormalige Nijverheidsschool (eerste Moderne gebouw in Nederland), het Hoofdstation en ‘het kasteel’ aan de Melkweg zijn hier voorbeelden van.

Een strategischere inzet van financiële middelen

Door de restauratie inspanningen in de jaren ’80 en ’90 deed ‘de markt’ in toenemende mate zijn werk: woonhuismonumenten werden steeds gewildere panden en daardoor ook rendabeler in het economische verkeer. Dat werd ondermeer duidelijk doordat de Stichting Stadsherstel meer aan de markt moest overlaten. Dit was in 1995 dan ook het moment om de in de monumentenzorg heersende ‘subsidieverslaving’ politiek ter discussie te stellen. Monumentale woonhuizen waren in de meeste gevallen rendabele objecten, dus waarom moest daar nog zoveel subsidie naartoe? Anderzijds was er de wens om het hiervoor genoemde Gemeentelijke Kanjerplan gestalte te geven, door deze voor de stad zo gezichtsbepalende panden niet door sloop verloren te laten gaan. In het gemeentelijke beleid werd dus ingezet op afbouw van woonhuissubsidies tot een bescheiden niveau en de inzet van middelen op het (zo succesvol gebleken) Kanjerplan.
Door de aanwijzing van 75 naoorlogse gemeentelijke monumenten in 2004 en ruim 300 extra gemeentelijke monumenten in 2008 en 2009, wordt nu gestreefd naar de instelling van een laagrentende leningfaciliteit voor gemeentelijke monumenten, vergelijkbaar met de rijksregeling die voor rijksmonumenten geldt. 

Herijking monumenten(subsidie)beleid in 2002
In 2002 is het monumenten(subsidie)beleid ‘herijkt’. In de nota staat een evaluatie van het beleid uit 1995 en is met name ingegaan op de eind jaren ’90 in politiek en pers breed gevoerde discussie over subsidieverlening in relatie tot de beperkte financiële middelen hiervoor. Uiteindelijk is de kwestie opgelost doordat de rijksoverheid het Groningse beleid in essentie in de nieuwe rijksregeling BRIM overnam.
Overigens zijn de uitgangspunten van beleid uit 1995 in 2002 onverkort gehandhaafd. In aanvulling op het bestaande beleid zijn in 2002 de volgende nieuwe (subsidie)doelen geformuleerd:

1.    Restauratie van aan te wijzen naoorlogse gemeentelijke monumenten
Bij een aantal monumentale naoorlogse gemeentelijke complexen is of wordt met financiële steun herstelwerk uitgevoerd. Dit betreft onder meer de Ossenmarktflat, de Plantsoenflat, de Westerflat en de Gorechtflat.

2.    Inventarisatie en selectie van cultuurhistorische waarden en de neerslag hiervan op een Cultuurhistorische Waarden Kaart (CWK)
Sinds 2002 is op diverse terreinen een aanvullende inventarisatie verricht. Dit betrof onder meer: bouwhistorisch waardevolle casco’s in de binnenstad, boerderijen in het landelijke gebied, archeologisch waardevolle terreinen en gebouwen uit de periode 1850-1940. Selecties hiervan zijn in 2006 en 2007 voorbeschermd als gemeentelijk monument. In 2008 zijn 199 gebouwen definitief aangewezen, in 2010 volgen er nog ruim 150. De CWK is inmiddels via deze website toegankelijk. Veel informatie is hier al op te vinden, maar er wordt gewerkt aan nog veel meer! Gemeentelijk intern is de CWK een belangrijk hulpmiddel ten behoeve van het maken van stedenbouwkundige en bestemmingsplannen.

3.    Restauratie van monumentale woningcomplexen
Na de minder succesvolle afronding van het BernoulliPLUS project (herstel en restauratie van het Bernoulliplein e.o.) in 2005, is besloten geen nieuwe projecten op te starten, omdat de deelnamebereidheid van eigenaren over het algemeen gering is en het de gemeente veel mankracht en financiële middelen kost.

4.    Steun aan niet of minder rendabele instandhoudingsprojecten van het Groninger Monumenten Fonds
In 2002 is het NV Groninger Monumenten Fonds opgericht. Doel van de NV is zorgvuldig herstel en langdurig beheer van monumenten in de provincie Groningen. De NV weet zich gesteund door overheden, woningcorporaties en private partijen. Het GMF heeft inmiddels een tiental rijksmonumenten in eigendom. In de gemeente Groningen wordt ondermeer gewerkt aan de revitalisering van het Prinsenhof en de Watertoren aan de Noorderbinnensingel.

5.    Uitbreiding Kanjerplan
Het gemeentelijke kanjerplan was bij de introductie in 1996 onmiddellijk een succes. Bedoeld was in tien jaar tijd 30 grote dikwijls hun functie verliezende monumentale gebouwen al dan niet met financiële steun te herstellen en te herbestemmen. Ruim vijf jaar later waren 23 kanjers al weer uit de steigers! Dit heeft de raad in 2002 doen besluiten uit de groep van 83 kanjers die in 1996 genomineerd waren meer genomineerden in aanmerking te laten komen voor een kanjerbijdrage. In 2008 waren 53 gebouwen hersteld en weer in gebruik. Aan drie wordt nog gewerkt en als sluitstuk hopen we de genoemde watertoren te revitaliseren.   
 
Gemeentelijke beleidsnota’s en verordeningen

  • Monumentennota ‘Van ethiek naar strategie’ (1996)
  • ‘Toen voor straks’ beleidsnota over het beheer van cultuurhistorisch erfgoed (2000)
  • Herijking monumentensubsidiebeleid (2002)
  • Subsidieverordening (2003)
  • Bestedingsprogramma ISV-monumenten (meest recent)
  • Jaarlijkse evaluatie monumentenbeleid (meest recent)
  • Jaarprogramma Archeologie (meest recent)
  • Erfgoedverordening (2010) (ter vervanging van monumentenverordening)
  • Archeologie op groninger wijze


Monumentenlijst 
Zowel de gemeentelijke, rijks en archelogische monumenten zijn op de CWK terug te vinden. Een volledig overzicht is bij de Afdeling Wonen en Monumenten op te vragen.

Monumenten en Archeologie, taken en bemensing
Monumenten en Archeologie zijn onderdeel van de afdeling Wonen & Monumenten van de dienst RO/EZ (Ruimtelijke Ordening en Economische Zaken) van de Gemeente Groningen.
De belangrijkste werkzaamheden zijn:
-    inventarisatie, analyse en beschrijving van cultuurhistorisch erfgoed
-    selectie en aanwijzing van gebouwen, complexen en terreinen als gemeentelijk monument
-    bouwhistorisch onderzoek en documentatie ten behoeve van inventarisaties vóór en tijdens herstelwerkzaamheden
-    toetsing van vergunningaanvragen bij wijziging van rijks- en gemeentelijke monumenten
-    herstel- en restauratieadvisering bij de instandhouding van rijks- en gemeentelijke monumenten
-    advisering over cultuurhistorie bij stedenbouwkundige en bestemmingsplannen
-    archeologisch onderzoek en documentatie
-    beleidswerkzaamheden
-    promotionele werkzaamheden, zoals de organisatie van de Open Monumenten Dag, de uitgave van het jaarboek Hervonden Stad en andere publicaties, tentoonstellingen, lezingen, etc.
Deze werkzaamheden worden verricht door twee restauratiedeskundigen, twee bouwhistorici, een architectuurhistorica, twee archeologen, een conservator archeologie en twee medewerkers archeologie, een teamleider/beleidsmedewerker, ondersteund door een vijftal medewerkers op contractbasis, één of twee stagiaires, circa tien medewerkers van de Stichting Monument & Materiaal en het secretariaat (050-3678188) waar één secretariële medewerkster werkzaam is.