Gedichten van Ronald Ohlsen

U bent hier: Home Overzicht Stadsdichters van Groningen Gedichten van Ronald Ohlsen
Gedichten van Ronald Ohlsen
Document acties
Snel naar

 

 


 


DE STAD EN IK

Geschreven voor de Stadjersgids 2005-2006
maart 2005

Als er geen mens op straat is en de stad
en ik zijn als vanouds een keer weer samen,
dan komt terug wat ik hier ooit bezat
en mompel ik die voor- en achternamen.

Ik ken ze nog, ik heb ze liefgehad,
die lotgenoten die naar mij toe kwamen,
met wie ik uren op terrassen zat
of blokte in de bieb voor een tentamen.

Als het maar stil genoeg is, komen zij
onzichtbaar maar aanwezig naast me lopen.
De tijd verstreek, maar niets ging echt voorbij.

Kom, zeg ik dan, we gaan een biertje kopen,
of: slapen we in jouw bed of bij mij?
En weer gaat er een wereld voor me open.

 



HUMAN CAPITAL

 

Bij de presentatie van het zwervend kunstwerk door Stichting Zwerfjongeren bij het Gemeentelijk Informatie Centrum Groningen, 23 maart 2005

1.
Dit is een lied over de eindeloze straat, de eindeloze winkelstraat
waar elke dag wij samenschoolden, dringend voor de etalages vol
van waar men van droomde zo nu en dan: en dan is het nu zo ver,
het moment is daar om de dromen waar te maken. Treed binnen
in het paleis van de tassen die bij de schoenen passen en bij de
mantel en de zo charmante hoed. Wat staat die goed. Precies waar
we voor kwamen. Waar we voor kwamen. Wat wilde je nog meer.

2.
De blues van de oneindige boulevard, de oneindige poenboulevard
waar je maar beter niet kon komen zonder visioenen van oud goud
en zilveren bestek, kroonluchters, Perzische tapijten, Hugo Boss en
wat niet al in dit heelal van goede smaak de koers bepaalde. Sluit aan
bij de rijen van de rijken, al was het maar om te kijken naar het grote
geluk dat ons toelacht met stralende ogen: wees zo blij als zij, want
wat zij heeft, wil jij ook. Wil jij ook. Ook jij. Wat wilde je nog meer.

3.
Een gospelsong op de eeuwige weg, de eeuwige rechte weg
waar slechts de echte gezegenden gingen in het licht des woords
dat straalde boven hun hoofden; de namen waar zij in geloofden
in alle kleuren van de regenboog. Houden we het droog vandaag
of krijgen we regen. Soms valt het mee en soms valt het tegen en al
wat we kunnen doen is zwoegen in het zweet des aanschijns opdat
onze schapen op het droge enzovoorts. Wat wilde je nog meer.

4.
Een chanson uit de ontwakende stad, de altijd ontwakende stad
waarin de maten waarmee we maten lagen opgeslagen voor ons
nageslacht dat niet vergeten mag hoe stijlvol we waren, hoe verfijnd
en hoe we konden eten en drinken tot we stierven in een onbetaalbare
sportwagen, hoe als de hoeren gingen slapen er verderop weer
nieuwe zaten en dat wie de laatste tijger wilde zien zeven dagen
in de week terecht kon bij de bibliotheek. Wat wilde je nog meer.

5.
Een wiegeliedje over speelgoedhonger, de levenslange speelgoedhonger
die gaandeweg zo groot werd dat het gerommel elk geluid overstemde
en woorden in de vergetelheid raakten. Wat we maakten werd aangevreten
door wie erover waakten en hun wraak was meedogenloos: het water
steeg ons naar de lippen en om vijf voor twaalf dreigden we te stikken in
de lyriek van miljarden malen ademhalen reclamecampagne. En niemand
leed meer kou in het warme licht van neonletters. Wat wilde je nog meer.

6.
Een ringtone voor bij sluitingstijd, die onvermijdelijke sluitingstijd
waarmee de uittocht aanving naar het land van belofte aan de hand
van de gezochte die zich had opgeworpen als volksmenner, monteur,
entertainer, voorganger, stoorzender en buitenissig klokkenluider, maar
die toch het liefst trombone speelde zoals Jay Jay Johnson dat deed
op die elpee die nu als cd verkrijgbaar is en die je zeker moet kopen
als de winkel weer open is, het niet te ver lopen is. Wat wilde je nog meer.

7.
Een droeve potpourri van potverdorie drie stuivers, drie stuivers
voor die schuivers zonder huis en haard die later op de avond
gouden bergen droomden in het mos onder de hoge lindebomen
van het park, down and out, in welke stad dan ook, waar ter wereld,
met honderdduizend plekken om het moede hoofd te ruste te leggen
en in te slapen terwijl zacht de zomermeisjes zongen van de zaligheid
voor wie oren had. Wat wilde je nog meer. Wat wilde je. Nog meer.

 



TWEE OVERZIJDEN

 

Voor Gerrit Krol. Om te lezen bij de Gerrit Krol-brug.
8 juli 2005

Een brug blijft brug zolang zo'n brug maar niet
gedachten over die kant daar en deze
vertroebelt. Wat je ziet is wat je ziet.
Het water stroomt. Wat zou het dan in wezen

meer kunnen zijn dan stromen water. Nou?
Voor God is er geen eerder en geen later.
Op menig schip staat bij het roer een vrouw.
De brug is brug en wat er staat dat staat er.

Wij staan hier nu te staan aan deze kant,
te kijken naar de schepen die hier varen
en reizen naar dat vreemde verre land

waar we zo vaak al in gedachten waren,
die ene zogenaamde overkant;
te kijken tot we ons er blind op staren.

 



NOORDERZON 2005

 

augustus 2005

Er is hier bier en er zijn mooie vrouwen
en iedereen hier houdt van zang en dans
en dichters die van mooie vrouwen houden.
Dus als je eenzaam bent is dit je kans.

Je mag hier vrijelijk kastelen bouwen,
uitzinnig kwelen van een torentrans,
voor haar hem straffeloos het hoofd afhouwen,
die onverlaat die met jouw jonkvrouw sjanst.

We gaan terug naar goede oude tijden,
toen men nog vrolijk op z'n paardje reed
of lopen moest als men niet paard kon rijden,

toen Don Quichot nog tegen molens streed,
de jonge Werther dood ging van het lijden,
Cleopatra voor mij een dansje deed.

 



J.J.A. GOEVERNEUR

Bij de oplevering van het gerestaureerde graf van de Groninger schrijver/dichter J.J.A. Goeverneur op de Zuiderbegraafplaats in Groningen.
18 november 2005

Ik maak nog elke dag een wandeling
door 't groene knollenland van de twee hazen,
terwijl ik in mijn hoofd dat liedje zing
van op de trommel slaan en fluitje blazen.

Het gaat precies zoals het altijd ging.
Je hoeft je er niet over te verbazen,
dat knollenland van mijn herinnering
waarboven woeste onweersluchten razen.

Het is dat ruige land waarin die ene
geschoten werd. Ik huilde, was nog klein,
dacht dat ook hazen tranen konden wenen.

Het was een serieuze zaak. Afijn:
ik weet niet wat, er is nu iets verdwenen.
Die jager zou ik zelf nu kunnen zijn.



Vraag het een zoetwatercherubijn

Een ode aan de zwemmende mens en in hetbijzonder aan Ranomi Kromowidjojo, winnaar van de sportstimuleringsprijs 2005

Wie zou nou niet zo'n wezen willen zijn,
zo'n engel zonder vleugels die kan zweven
in water, zo'n zoetwatercherubijn
die duikelt, wentelt, dobbert. Wat een leven!

Want onze wandel is maar schone schijn.
We weten toch dat wij niet zijn gebleven
waar wij ooit woonden, daar bij de dolfijn
de inktvis, bij de haaien en de kreeften.

Dat beest dat voor het eerst de zee verliet
om aan de evolutie bij te dragen
bezorgde ons dit ondermaans verdriet.

Het heeft geen zin daarover nog te klagen.
Misschien moet je als je zo'n engel ziet
het wagen naar de weg terug te vragen.